Deze site gebruikt cookies om informatie op te slaan op uw computer. Door het gebruik van onze site accepteert u de voorwaarden. Lees onze Cookie Verklaring.
Doorgaan

Columns archief


NEEM OF GEEF EEN ABONNEMENT OP LEVEN IN FRANKRIJK

En ontvang de nautische dekbedovertrekset t.w.v. € 89,95!



Bretagne op z'n best

Schilders als Claude Monet werden er al betoverd door de kleuren en de woeste zee: Belle-Île, een eiland voor de kust van Bretagne, is een wereld op zich. Je kunt er prachtig wandelen en zonnebaden, maar ook kennismaken met schelpdiervissers, fazanten en de nalatenschap van een eigenzinnige hofarchitect.

Men neme de boot vanaf het schiereiland Quiberon, aan de westkust van Bretagne, en na een half uur komt langzaam de hoofdstad van het eiland, Le Palais in zicht. De enorme 17de-eeuwse citadel die naast het stadje ligt, de twee karakteristieke vuurtorentjes die de haven markeren en de statige oude huizen op de kade vormen een prachtig decor. Zelfs na jaren van regelmatig bezoeken blijft deze aanblik verpletterend. Maar het eiland heeft meer te bieden: rust, prachtige natuur en talloze stranden.
Slechts vijftien kilometer zee liggen er tussen Belle-Île en Quiberon, en toch lijkt het eiland ver van het vasteland met al zijn drukte en hectiek. De sfeer in Le Palais is gemoedelijk. De huizen zijn in warme kleuren geschilderd, vol dakkapellen, versierde gevels en typisch Franse balkonnetjes. Er huizen crêperies, winkels die streekproducten verkopen en brocantes, gespecialiseerd in oude scheepsartikelen als houten ­katrollen, vissersnetten en navigatiematerialen.
Wanneer we de Quai Jacques Le Blanc aflopen, hebben we ook nog zicht op de haven vol zeil- en vissersboten. En dan is er die immense citadel, een tastbare herinnering aan het bloedige verleden van het eiland dat continu werd aangevallen door onder meer Hollanders, Engelsen en ander gespuis.
Verantwoordelijk voor het uiterlijk van Belle-Île is Sébastien Le Prestre de Vauban. In 1683 stuurde koning Lodewijk XIV zijn militaire hofarchitect naar het eiland om diens verdediging te versterken. ‘Niets meer dan een waardeloos gehucht’, oordeelde Vauban over Le Palais. Omdat het aan de voet van de citadel lag, kon de vijand zich er prima verstoppen. Reden voor Vauban om de stad af te laten breken en naast de citadel opnieuw op te bouwen. In hout, zodat bij een overheersing door de vijand het hele zaakje snel was plat te branden. Ook de bestaande citadel werd door hem flink onder handen genomen. Vauban liet hem niet alleen uitbouwen, maar ook ophogen, zodat hij momenteel als hoogste punt van de stad de hele omgeving domineert. Net als in Le Palais, lijkt in de vesting de tijd sinds Vaubans bezoek te hebben stilgestaan.
Piraten lijken hier nog steeds op de loer liggen, klaar om hun slag te slaan. Alsof de vloot van Admiraal Tromp, die het eiland in 1674 teisterde, elk moment opnieuw kan binnenvaren.
In de citadel huist sinds jaar en dag een museum dat absoluut een bezoek waard is. De collectie richt zich op de lokale geschiedenis en bevat veel foto’s en schilderijen van beroemdheden die het eiland een bezoek brachten. Maar de vesting zelf is ook interessant. Het verdedigingswerk verkeert in perfecte staat en ademt een bijna nostalgische militaire sfeer van orde en regelmaat. De bovenste wallen bieden een prachtig uitzicht over de zee en het eiland. met Le Palais en zijn haven. Je kunt zelfs in de citadel logeren, want onlangs zijn er een hotel en restaurant gevestigd.

Tamalous
We besluiten koffie te drinken in café La Godaille, halverwege de steil omhoog lopende Avenue Carnot. La Godaille is dé dorpskroeg van Le Palais en wordt gerund door de charmante Chantal. Zij speelt als een van de weinigen niet in op het toerisme. Haar café is ‘s zomers en ‘s winters open en goedkoop – waarmee overigens niet gezegd is dat Belle-Île duur is.
La Godaille is een café zonder opsmuk waar de vissers van het eiland na de vangst een biertje komen drinken. Hier verzorgt de markante Luc, die de kost verdient als cafézanger en gitarist, regelmatig optredens, en kennen de vaste klanten de weg naar de kelder om zelf een nieuw fust aan te sluiten. Chantal begroet ons met twee zoenen, zoals ze dat doet met al haar ‘vaste’ klanten. We hebben een mooi weekend uitgekozen om te komen, zegt ze, ‘midden in het seizoen van de ­tamalous.’ Pardon, de wát? Eilandhumor, blijkt. ­Tamalous moet vertaald worden als ‘tu as mal où?’ oftewel ‘Waar heb je pijn?’, een manier om de ouden van dagen aan te duiden die het eiland tot en met juni bezoeken. De maanden juli en augustus zijn voor de gezinnen met kinderen, en daarmee veruit de drukste maanden van het zomerseizoen.
Tijd om ons in de natuur te begeven. We lopen langs de ingang van de citadel en slaan rechtsaf richting de zee. Vervolgens vinden we de onopvallende oude stenen trap die het beginpunt vormt van Le Sentier Côtier, een pad van 82,5 kilometer dat langs de zee het hele eiland rondloopt. Het lopen van de route vereist wel conditie: we moeten soms behoorlijk klimmen, oppassen voor laaghangende takken en rotsen en boomwortels die uitsteken. Maar onderweg worden we getroffen door de prachtige natuur. Hagedissen schieten bij elke stap onder onze voeten weg. De heide die het goed doet op de rotsgrond, met zijn gele bloem genaamd l’ajonc (de gaspeldoorn), verspreidt een aangename zoete geur. Het indrukwekkendst is het uitzicht op de rotskusten en de piepkleine strandjes die zich tussen de rotsen bevinden. Ter hoogte van Plage de Castoul laten we ons verleiden af te dalen en pootje te baden in het uitnodigende turkooizen water.
De stranden zijn een belangrijke attractie van Belle-Île. Het eiland telt er een dertigtal, de talloze die verdwijnen als het vloed is, niet meegeteld. En hoewel ze zich allemaal op dezelfde tien bij twintig kilometer bevinden, zijn de onderlinge verschillen groot. Wie van een wilde zee houdt, gaat naar Donnant, dat het enige strand heeft met een mooie golfslag. Niet zo ver daarvandaan ligt Plage de Kérel, waar het zeewater ­veruit het warmst is doordat het strand langzaam afloopt en het snel opwarmende water gevangen blijft in een baai. Wie van privacy houdt, kiest eerder voor Stang er Gwin, een prachtig afgelegen strandje aan de noordkant van het eiland. Het is volledig ingesloten tussen de rotsen en je vindt het alleen op de meer gedetailleerde kaarten van het eiland. Het meest Nederlands doet Les Grands Sables aan, een breed strand met duinen en zonder rotsen.

Claude Monet
Onze volgende stop is Le Pointe des Poulains. We ­parkeren de auto op de parkeerplaats en lopen het paadje af dat naar dit noordelijkste puntje van het ­eiland leidt. In de wildgroei die het pad aan weers­zijden bijna overwoekert, ruiken we brem en wilde venkel. Opeens is de plantengroei verdwenen en komen we op de kale rotsen die uitzicht bieden op le Pointe des ­Poulains, een enorm rotsgebied dat slechts door een klein strandje aan Belle-Île is verbonden. Van hieraf lijkt de vuurtoren die midden op deze desolate plek is neergezet meer op een kerkje, wat een bijzonder contrast is met de rauwe natuur.
Hier begint le côte sauvage, de wilde kust; aan alle ­kanten zien en horen we de zee tegen de rotsen opspringen. We voelen de nooit aflatende wind in onze haren en genieten van het gekrijs van de meeuwen. Voor een maximaal effect moet je de Pointe des ­Poulains bezoeken tijdens een storm.
Al even beroemd is het uitzicht op Les Aiguilles, aan de zuidwestkant van Belle-Île: een aantal rotsen in zee die vanwege hun lange en smalle uiterlijk ‘de naalden’ worden genoemd. Ze danken hun bekendheid in eerste instantie aan de schilder Claude Monet die het eiland in 1887 bezocht en ze vereeuwigde op één van de 39 doeken die hij er schilderde. Monet beschreef uitvoerig zijn fascinatie voor de zee rond Belle-Île, met zijn intense kleur groen die hij niet bij machte was te reproduceren. ‘J’en suis fou!’ (‘Ik ben er gek van’) verklaarde hij in één van zijn brieven. In de jaren die volgden, wist Monet diverse kunstenaars te inspireren tot het vastleggen van Les Aiguilles, waardoor deze locatie is uitgegroeid tot één van de meest karakteristieke plekken van het eiland.
Landinwaarts passeren we gehuchten met typisch Bretonse namen als Kerbellec, Keroulep en Keroyan. We vinden er het traditionele maison Belle-Îloise, met zijn twee schoorstenen aan weerszijden. Die zijn karakteristiek voor de oude huizen van steen, met hun houten luiken en deuren.
De bouwvoorschriften op Belle-Île zijn zo streng dat alleen dit type huis is toegestaan. Hoewel het eiland zeer geliefd is bij Parijzenaren die er een tweede huis hebben, is Belle-Île niet volgebouwd met grote villa’s.

Lees verder over Belle-Ile, ook voor tips en adressen en zes heerlijke, Bretonse recepten, in Leven in Frankrijk nr. 4, najaar 2010.

tekst Annemiek van der Bruggen - foto's Loup Samzun