Deze site gebruikt cookies om informatie op te slaan op uw computer. Door het gebruik van onze site accepteert u de voorwaarden. Lees onze Cookie Verklaring.
Doorgaan

Columns archief


NEEM OF GEEF EEN ABONNEMENT OP LEVEN IN FRANKRIJK

En ontvang de nautische dekbedovertrekset t.w.v. € 89,95!



Groen Parijs

Toen ik drie jaar geleden in Parijs kwam wonen, was het voor mij vaak ver zoeken naar een beetje groen. Ik woonde in ‘het negende’, net onder Pigalle, een buurt met een grote hoeveelheid buurtcafés, must-do-restaurants en aanleunbars voor singles, maar een flink tekort aan groen. Tenminste, je moet weten waar het verstopt ligt. Achter de Place Saint Georges bijvoorbeeld.
Of tegen de heuvel van Montmartre, achter een hoog ijzeren hek, waar de dorpse Avenue Frochot ligt verscholen. Picasso had hier vroeger zijn atelier, tegenwoordig bewoont Jean-Paul Gaultier het roze huis, tegen het einde van de straat. De straat is alles wat Parijs – op het eerste gezicht – niet is: dorps, kalm en groen, met katten die tegen oude bomen aan luieren en vogels die uit volle borst zingen. Zo’n andere plek is de tuin van het Musée de la Vie Romantique op de Rue Chaptal. Onder een deken van bladeren waan je je er echt even buiten de stad.
Maar voor meer dan deze stukjes groen moet je toch echt het quartier uit: via de Boulevard de Clichy een half uur joggen naar het oosten, naar Parc des Buttes Chaumont in het twintigste arrondissement, of een half uur joggen naar het westen, waar in het zeventiende Parc Monceau ligt. Voor mensen die een kwartier joggen wel genoeg vinden, is er geen uitkomst.

Museum om te schuilen
Toch, zo heb ik later ervaren, is ‘een groen gevoel’ in Parijs zo gevonden. Parijs bestaat uit vele grands boulevards die non-stop volstaan met verkeer, maar er zijn ook veel voetgangersvriendelijke arrondissementen, groot opgezette parken en twee enorme bossen. Die parken en bossen zijn zo weids opgezet en zo vriendelijk ingericht – goede stoelen, kleine, sympathieke eetgelegen­heden en in sommige parken zelfs een museum om in te schuilen als de regen komt – dat je er gemakkelijk kunt vergeten dat je op de drukst bezochte vierkante meters van de planeet woont.
Overdag vergeet ik dit het best in de rust van de Jardin du Luxembourg, onderuitgezakt op een van de comfortabele stoelen onder de lome bomen, of aan de grote vijver van het Parc Montsouris. Als ik honger krijg haal ik een quiche, een hartige crêpe of een salade bij Bread and Roses op de aangrenzende Rue de Fleurus (nr. 7) – de straat waar Gertrude Stein tijdens de belle époque haar salon hield – en daarna ga ik op zoek naar een nieuwe lege stoel in het park. En als het begint te regenen, heb ik een goed excuus om het museum te bezoeken.
Een andere goed verscholen groene plak is Le Passage Vert die begint bij de Bastille en eindigt in het Bois de Vincennes. Deze groene passage is ruim drie kilometer lang en ligt net boven de stad. Al wandelend kijk je bij de vierde verdieping van de huizen aan de Rue de Lyon en de Avenue Daumesnil naar binnen. Het meest bijzonder is de fontein met bruisend drinkwater, in het aangrenzende park.
In de vooravond kies ik voor een heel ander stuk groen: het heuvelachtige Parc des Buttes Chaumont in het negentiende arrondissement, met zijn gigan­tische bomen. Het park is aangelegd in de 19de eeuw, onder het regime van Napoleon III, ten tijde van de Haussmanniaanse stedelijke vernieuwingen. Hekje over, jas op het gras, handen om de knieën en de zon langzaam zien verdwijnen achter de hoge apparte­menten­gebouwen rondom het park.
En daarna wachten op een tafeltje bij het moderne antwoord op de traditionele guinguette (een uitspanning buiten de stad, waar men vroeger heen ging om ‘zich te verlustigen’): Rosa Bonheur. Simpel, sympathiek en geen gedoe. Of ik ga bij het ondergaan van de zon naar de Tuileries, via een rustige wandeling langs de Seine, en laat, lezend aan de vijver, de schemer over me komen terwijl de eerste lichtjes op het Place Concorde aanknipperen.
Nog een manier om de stadsdrukte te ontvluchten: bezoek het Musée Rodin (in het zevende arrondis­sement) en reken slechts een euro af om van de tuin te mogen genieten.
En als ik een hele dag wil luieren in de zon tussen pauwen en bomen zonder einde, ga ik naar het Parc de Bagatelle in het Bois de Boulogne. Je betaalt vijf euro entree en dat is in dit geval alleen maar goed: hier is het echt goed vergeten. 

Dorp in de stad
Eigenlijk is Parijs op z’n groenst als je er je eigen dorp maakt, een dorp waar je je alleen te voet of fietsend door de stille straatjes voortbeweegt, bij voorkeur in een buurt met een park, een (biologische) markt en een groot buurtterras. Je laat de grote stad met al zijn vertier voor wat die is.
Het meest idyllische stukje Parijs ‘dorp’ wordt bevolkt door de bewoners van de buurt Saint Germain, met het imago van de meest gelukte en gelukkige Parijze­naars van allemaal. Saint Germain is het ultieme dorp waar ‘het allemaal gebeurt’, met voetgangersvriendelijke stoepen en straatjes, een biologische markt op zondag op de Boulevard Raspail waar Gérard Depardieu naast je de pastinaak voor je wegkaapt, ruime terrassen, vele biologische traiteurs en winkels en de Jardin du Luxembourg met een vergezicht dat je geest verruimt. Eén kink in de kabel: hier wonen kost minimaal 15.000 euro per vierkante meter.
Gelukkig valt dit leven ook heel goed te vinden rondom het Parc Montsouris in het veertiende, in het zuidelijkste puntje van de stad, en La Butte aux Cailles, een ‘dorpje’ in het aangrenzende dertiende arrondissement. Of bij het Parc des Buttes Chaumont in het noordoosten. Of rondom de Jardin des Plantes en Place Monge in het vijfde. Overal in Parijs zijn microbuurtjes te vinden. 

Lees verder voor meer 'groene' plekken van Sophie van der Stap in Leven in Frankrijk nr. 4, zomer 2012.

tekst Sophie van der Stap - foto's Annewil Stroo