Deze site gebruikt cookies om informatie op te slaan op uw computer. Door het gebruik van onze site accepteert u de voorwaarden. Lees onze Cookie Verklaring.
Doorgaan

Columns archief


NEEM OF GEEF EEN ABONNEMENT OP LEVEN IN FRANKRIJK

En ontvang de nautische dekbedovertrekset t.w.v. € 89,95!



Heilig vuur

Een producent van peperdure, kunstmatig van een verwaar­loosde look voorziene houtbranders, waar in elk geval de makers wel tevree over waren, gaf op zijn site als gebruiksaanwijzing voor het beginnen van een mooi haardvuur de volgende tip: maak allereerst tegen de achterwand van de verbrandingskamer een halve wigwam van aanmaakhoutjes. Ja hoor, natuurlijk. Hebt u wel eens geprobeerd om een héle wigwam van aanmaakhoutjes te maken? Precies! En die halve gaat uiteraard ook niet lukken.
Maar laat ik niet zeuren, want winter, dat betekent naast allerlei dagelijks ongemak, zoals onbereikbare winkels vanwege besneeuwde en spekgladde wegen, ook het dagelijkse plezier van het aansteken van de open haard. Daar kan ik me ’s morgens bij het opstaan al op verheugen. Vervolgens wordt het een kwestie van opbouwen. Niet meteen als een gek naar buiten rennen, een paar blokkies hout pakken, de blokken in de haard smijten en aansteken. Nee, de kunst is om van elke handeling
die leidt naar het uiteindelijke vuur een uniek ritueel te maken, zodanig dat de spanning langzaam maar zeker wordt opgebouwd en het aanschouwen van de eerste vlammen voelt als de ­verlossende climax van de met uiterste precisie door mijzelf gecreëerde staat van opwinding.
Om te beginnen, ik zei het al, is haast volkomen uit den boze. Rustig de werkschoenen aantrekken, uitsluitend hoge Timberlands komen daarvoor in aanmerking, dan een gevoerd oud jack, liefst met hier en daar een forse scheur, en tenslotte de klushandschoenen. Van leer, dat spreekt. En dan op weg naar de houtvoorraad. Het trotse resultaat van een aantal weken keihard zagen en kloven in voorjaar en zomer. Nou ben ik op zich wel voor het gemak, zo ga ik geen haard aansteken door het tegen elkaar slaan van twee vuurstenen boven wat proppen klam, vochtig papier, dat is meer iets voor toeristen, maar ik weiger om hout te kopen dat al helemaal op maat is gezaagd en ­gekloofd. Er moet wel voor gewerkt worden, vind ik.
Daar ging ik vroeger nog veel verder in, toen we nog ons eigen bos hadden. Dan haalde ik ’s winters een aantal eiken om, om die vervolgens één voor één in stukken te zagen. Bij gebrek aan eigen haardhout zijn we nu gedwongen om het te kopen, maar dan laten we onze houtmeneer de stammen op een lengte van twee meter zagen. Een kuub of zeven, acht. En dat moet in stukken worden gezaagd en vervolgens gekloofd. Dat is nog een best werkje. Zelfs met de motorzaag, een Stihl natuurlijk, kost het heel wat uurtjes en behoorlijk veel transpiratie om al die stammen netjes in stukken van veertig centimeter gezaagd te krijgen.
Om het een beetje leuk te houden en er fysiek niet helemaal aan onderdoor te gaan, heb ik met mezelf afgesproken dat ik elke dag tien stammetjes zaag en kloof. Niet meer en niet minder.
Kloven doe ik met een kloofbijl. En dan geen bijl met een houten steel, die is voor mensen met te veel geld en te weinig gezond verstand, want ik weet uit ervaring dat wanneer je een paar kuub hout probeert te kloven met een bijl met houten steel, je meer geld uitgeeft aan nieuwe stelen dan je hebt uitgegeven aan die hele stapel haardhout. Dus een bijl met een onbreekbare, levenslang gegarandeerde steel van fiberglas. Mooiste is als het blok hout met een licht scheurend gekraak in één keer in twee helften uiteen valt, maar helaas zijn er in de praktijk vaak meerdere klappen en een hoop gefrustreerd gescheld voor nodig om het gewenste resultaat te bereiken. Maar dan heb je na een paar weken ook wat: een langgerekt lint van een meter of dertig keurig gestapeld eikenhout. En daar trek ik dan elke dag wat brandhout uit. Wat kleinere, lichte stukken voor het begin en wat grotere voor wanneer het vuur eenmaal goed op temperatuur is.
En dan het moment suprême van de winterdag, het maken van het vuur. Twee aanmaakblokjes in de haard, op enige afstand van elkaar. Wanneer die zijn aangestoken, strooi ik daar met losse hand wat aanmaakhoutjes overheen, geen wigwam in te ontdekken, zelfs geen halve, en wanneer dat goed brandt gaan de eerste lichte stukjes haardhout erop en zodra het echt lekker knettert, een mooi zwaar blok. Werkschoenen uit, benen op tafel, wijntje erbij. Quel bonheur!