Deze site gebruikt cookies om informatie op te slaan op uw computer. Door het gebruik van onze site accepteert u de voorwaarden. Lees onze Cookie Verklaring.
Doorgaan

Columns archief


NEEM OF GEEF EEN ABONNEMENT OP LEVEN IN FRANKRIJK

En ontvang de nautische dekbedovertrekset t.w.v. € 89,95!



Pas comme tout le monde

‘Maar waar is die bijeenkomst dan? Moeten we ons ergens melden, worden we opgehaald?’ ‘Ja, weet ik veel, dat hebben ze me niet gezegd.’
Hoewel we hier al vele jaren wonen, blijft die Franse slag qua afspraken ons iedere keer weer verbazen. Het is inmiddels tien over één en nog niemand gezien, maar misschien was het wel de bedoeling dat we ons op het afgesproken tijdstip ergens hadden moeten melden en zijn wíj nu dus eigenlijk te laat. Die gedachte maakt ons toch enigszins ongerust. ‘Laten we maar naar de accueil gaan’, stel ik voor. ‘Misschien dat ze daar meer weten.’ Maar ook bij de ontvangstbalie, drie etages lager, is het onduidelijkheid troef. ‘Op welke etage verblijft u?’ vraagt de vriendelijke dame. ‘Op de derde’, antwoordt mevrouw Pouli. ‘Dan zou de vergadering best wel eens in de salon van de derde verdieping kunnen zijn, maar zeker ben ik er niet van. Probeert u het daar maar eens’, stelt de medewerkster voor. Terug de lift in naar de derde etage en op zoek naar de salon. Hoewel mevrouw Pouli hier al twee maanden verblijft en ik hier ook al twee maanden lang iedere dag op bezoek kom, is ons van een salon niets bekend. Na enig speurwerk blijkt het de ruimte aan het einde van de lange gang te zijn, die normaal gesproken dienstdoet als plek om even te zitten met wat bezoek en te genieten van het uitzicht over het oudste en meest oorspronkelijke deel van Albi: Castelviel. Mevrouw Pouli rolt haar stoel naar de deur, klopt en rijdt naar binnen. Acht dames en heren, allen in smetteloos witte jassen, kijken ons lichtelijk verbaasd aan. ‘Nee, nee, nu nog niet’, roept een van hen ietwat paniekerig. Dertig lange minuten later komt de aide-soignante ons dan eindelijk verzoeken met haar mee te gaan. Er is een plek voor ons ingeruimd in de kring, die buiten onszelf bestaat uit één van de verzorgsters, iemand van de verpleging, de fysiotherapeute, de ergo­therapeute, de logopediste, iemand van de sociale hulpverlening, de arts in opleiding en ten slotte de arts zelf. Hoewel we iedereen kennen, is de setting, althans in mijn ogen, toch een beetje intimiderend. Daarbij speelt mee dat we inmiddels uitstekend in staat zijn om ons in het dagelijks leven te redden met ons Neder-Frans, maar dat dit natuurlijk andere koek is. Bovendien hangt er in zekere zin een donker wolkje boven deze bijeenkomst, omdat we ons er allebei van bewust zijn dat mevrouw Pouli er, geheel in lijn met haar karakter, in is geslaagd om op heel wat medewerkers van het centrum een onuitwisbare indruk te maken. Iets wat men, zoveel is ons wel duidelijk, bepaald niet gewend is. Patiënten doen wat ze wordt gezegd, spreken vooral niet tegen en besluiten al helemaal niet, zoals mevrouw Pouli heeft gedaan, om geen ergotherapie meer te volgen omdat dit naar haar oordeel niet veel meer is dan een veredelde vorm van bezigheidstherapie. Er staat, om het maar eens populair uit te drukken, wat druk op het gesprek.
Na wat inleidende opmerkingen over de reden van de opname in het revalidatiecentrum, een herseninfarct, en de vooruitgang die sinds de twee maanden van haar verblijf is geboekt, gaat het langzaam maar zeker richting de vraag waarom mevrouw Pouli geen ergotherapie meer wenst te volgen en waarom ze het met de één wel goed kan vinden, maar met de ander wat minder, enzovoort. Waar het allemaal op neerkomt: waarom doet u niet gewoon wat u gezegd wordt, mevrouw Pouli, dan bent ú hier eerder weg en wordt óns leven een stuk makkelijker. Maar zo snel geeft ze zich niet gewonnen en zo goed en zo kwaad als het gaat legt mevrouw Pouli uit dat ze niet snapt waarom er niet meer met haar hand en arm wordt gedaan, waarom er niet wat meer variatie in de loopoefeningen zit, waarom de ene therapeut wel met katrollen (een poulie!) werkt en de andere dat pertinent weigert en waarom de ergotherapeute maar niet lijkt te begrijpen dat ze met haar rechterarm en -hand niets meer kan. Na een pijnlijke stilte zegt de arts dat mevrouw Pouli duidelijk niet comme tout le monde is. ‘Nee, gelukkig niet’, doe ik ook een duit in het zakje. Uiteindelijk gaan we in redelijke harmonie uit elkaar, vooral omdat mevrouw Pouli toezegt weer naar ergotherapie te zullen gaan. En wat blijkt de volgende dag? Nog nooit is er zo hard gewerkt met hand en arm, de poulies zijn niet aan te slepen en er wordt met mevrouw Pouli gelopen alsof ze wordt klaargestoomd voor de marathon van New York. Over anderhalve maand mag ze definitief naar huis.