Deze site gebruikt cookies om informatie op te slaan op uw computer. Door het gebruik van onze site accepteert u de voorwaarden. Lees onze Cookie Verklaring.
Doorgaan

Magazine archief


NEEM OF GEEF EEN ABONNEMENT OP LEVEN IN FRANKRIJK

En ontvang de nautische dekbedovertrekset t.w.v. € 89,95!



Bestel hier >>
Jaargang: 2005 Nummer: 3

Leven in Frankrijk 3-05 2005

DEZE EDITIE:
De charmante wereldstad
De markt van Parijs
Droomhuwelijk in de Languedoc

De charmante wereldstad

Wat maakt Parijs tot de stad waar de romantiek niet weg te slaan is? Waar komt dat je ne sais quoi vandaan dat geen enkele stad ook maar kan benaderen? Geboren Française Agnès Michot probeert het te benoemen.

Parijs heeft alles wat New York, Londen en Rome ook hebben: musea, monumenten, restaurants, hotels, designerwinkels. Toch wekt de mededeling van ‘een weekendje Parijs’ bij de toehoorder een reactie op die de aankondiging van een verblijf in New York, Londen of Rome zelden teweegbrengt: gelukkige herinneringen aan een spotgoedkope, romantische hotelkamer met bloemetjesgordijn (heb je die in Londen?), een onvergetelijke wandeling langs de Seine (wandelt iemand ooit langs de Hudson?) of een goddelijk maal met gerechten uit Bretagne en wijnen uit de Bourgogne (ooit zoiets in Rome gegeten en gedronken?). Die reminiscenties gaan meestal gepaard met een heftig gevoel van jaloezie en afgunst ten aanzien van de toekomstige Parijsganger. En dat terwijl de lijst van wat Parijs (en daarmee Frankrijk als geheel) níet heeft zo ongeveer net zo lang is als wat het wel heeft. Ooit in een Parijse galerie iets gezien wat u niet ook al jaren geleden in Amsterdam of Londen heeft bewonderd? Is er de laatste twintig jaar een nieuwe Jean-Paul Sartre opgestaan? Kunt u vijf Franse zangers noemen die buiten Parijs en omstreken enige bekendheid genieten? En wat zou de Parijse haute couture zijn als het Nederlandse duo Viktor & Rolf haar geen nieuw leven had ingeblazen? Toch blijven we massaal naar Parijs trekken. Want mythes zijn hardnekkig en mythevorming is de kurk waar de reputatie van Parijs op drijft. Je kunt je in cafés als Les Deux Magots of Café de Flore aan de Boulevard Saint-Germain met een beetje fantasie voorstellen hoe Jean-Paul en Simone elkaar en hun vrienden ontmoetten (als tegenprestatie voor deze oefening moet je voor een café crème een klein vermogen neertellen). Je kunt net als die duizenden andere toeristen langs de Rue Lepic aan de voet van Montmartre lopen en in het café neerstrijken waar een aantal scènes van de filmhit Le Fabuleux Destin d’Amélie Poulain zijn opgenomen. Of langs de prachtig gerenoveerde hôtels particuliers van de Marais en je proberen in te beelden hoe Mme de Sévigné en Mlle de Scudéry er in de 17e eeuw salon hielden. Maar tijdens het bezoeken van deze highlights ben je ook tegen dat ene romantische hotelletje aangelopen met een binnentuintje, dat in geen enkele gids staat vermeld en dat maar vijftig euro per nacht kost, inclusief bloemetjesgordijn en gehaakte sprei. En heb je een traiteur gevonden die een heerlijke picknick heeft samengesteld die je samen met je lief langs de Seine, op een plek waar rondvaartboten niet om de tien minuten langs denderen, hebt genutigd in het gezelschap van Parijzenaren die hun middagpauze gebruiken om hun benauwde kantoor te ontvluchten en die bij nader inzien best aardig waren. Na die lunch kom je tot de conclusie dat een van de bezigheden die Parijs zo bijzonder maken, de flânerie is. Rondlopen zonder enig ander doel dan te ontdekken wat op je pad komt. Parijs is bij uitstek een stad voor avontuurlijk ingestelde lopers. De brede trottoirs lijken voor hen te zijn gemaakt. Is een wandeling langs de Amsterdamse grachten en straten een levensgevaarlijke onderneming door de afwezigheid van een fatsoenlijke stoep en de overvloedige aanwezigheid van hondendrollen en Amsterdammertjes die het wandelen in een geestdodende slalom veranderen, in Parijs zijn trottoirs één grote Champs-Elysées. En kun je in New York ook heel goed wandelen, in Parijs hoef je niet bang te zijn dat je opeens in een buurt terechtkomt waar je liever niet zou willen zijn.

Amour Fou
Het trottoir is in Parijs niet alleen een middel om zo snel of zo langzaam mogelijk van a naar b te komen, het is theater. En wie naar het theater gaat, gedraagt zich er ook naar. De Parijzenaar die het theater binnengaat is tegelijk toeschouwer en acteur. Beide rollen vereisen een goed voorbereide entree. Ooit een Parijzenaar er slonzig bij zien lopen? Een Parisienne zonder make-up en in joggingbroek en gymschoenen haar appartement zien verlaten? Je weet namelijk nooit wie je tegenkomt. Je hippe buurvrouw, je altijd zo strenge baas, maar misschien ook wel l’Amour Fou. Het idee dat de grote liefde het beste op straat wordt gevonden, is een van de meest hardnekkige romantische mythes van de Fransen en vindt in Parijs zijn apotheose. Het lukte Picasso, die op advies van de Surrealisten de boulevards rond de Opéra afroomde en verliefd moest worden op de eerste vrouw waarop hij zijn blik zou vestigen. Het werd Fernande, Picasso’s tweede echtgenote. Het lukte de beste vriendin van de Parisienne, die bij de bushalte of tijdens het oversteken de liefde vond, dus waarom zou het de Parisienne zelf niet lukken? In Parijs is de straat meer nog dan het café en de nachtclub het theater van de liefde. Maar om die liefde te vinden zal er eerst geflirt moeten worden. Iedereen doet het. Man en vrouw, jong en oud, rijk of arm. Het enige wat je ervoor hoeft te doen is iemand iets langer dan gebruikelijk in de ogen aankijken en afwachten of de blik wordt beantwoord. En word je in andere steden als vrouw op straat toch vooral door minder respectabele heerschappen benaderd, in Parijs stappen mannen uit alle sociale gelederen af op een vrouw. Zo werd ondergetekende ooit, en route naar de bakker, achtervolgd door een niet al te jonge, keurig in het pak gestoken meneer die een hooggeplaatste positie bleek te bekleden binnen de Parti Communiste en in het bezit was van een niet te onderdrukken voorkeur voor brave burgermeisjes. Helaas leidde deze ontmoeting niet tot Amour Fou, ook niet tot amour, maar vermakelijk was het wel. Niets zo heerlijk dus om, te midden van jachtige en door liefde en lust geobsedeerde Parijzenaren, op je gemak de stad te voet te ontdekken en bij voorkeur te verdwalen. En eist het vele lopen zijn tol; dankzij het ingenieuze metrosysteem ben je nooit langer dan vijf minuten gaans van een station verwijderd. Met een beetje geluk ontdek je tijdens het flaneren die ene buurt waar in de reisgids met geen woord over wordt gerept. Zoals Belleville (20e arrondissement) met zijn multiculturele restaurants (waaronder een goddelijk Laotiaans adres). De wonderlijke Cimetière de Montmartre (18e arrondissement) die anders dan de Père Lachaise verschoond is gebleven van de massa’s toeristen op zoek naar het graf van Jim Morrison en Marcel Proust. De Passage Brady (10e arrondissement), die uitsluitend wordt bevolkt door met tulband bedekte mannen uit Kasjmier die hun restaurant aan de voorbijganger aanprijzen op dezefde manier als ze dat in eigen land ook doen. De om de hoek gelegen Cinéma Rex, de specialist in Bollywood-films. Of het Saint-Louis ziekenhuis (10e arrondissement), waarvan de Cour Henri IV nog mooier is dan het Place des Vosges en nog een stuk rustiger ook. Tijdens het flaneren ontdek je dat het in Parijs wemelt van de kleine musea waarvoor je niet uren in de rij hoeft te staan en waarvan de collectie in kwaliteit niet onderdoet voor die van het Louvre of het Musée d’Orsay. Het prachtige Musée Nissim de Camondo aan het Parc Monceaux (8e arrondissement) bijvoorbeeld, dat een van de mooiste verzamelingen 18e-eeuwse meubels huisvest. Het Musée de la Vie Romantique (9e arrondissement), een van de charmantste musea van de stad, waarvan de collectie gewijd is aan de schrijfster George Sand. Het Musée Dapper (16e arrondissement), genoemd naar de Nederlandse mijnheer Dapper van de Amsterdamse Dapperstraat, met een prachtige verzameling Afrikaanse kunst. Het was een van de favoriete musea van Hermans tijdens zijn Parijse jaren. Gaandeweg het verblijf voltrekt zich een metamorfose. Na een hele dag lopen, staat u nog fier en recht overeind, zoals de Parisiens dat doen. U draagt uw handtas niet meer nonchalant over de schouder, maar aan de arm, zoals een Parisienne betaamt. U laat zich niet meer afbekken door de hooghartige ober, want u kijkt inmiddels zo zelfverzekerd en u beheerst de kunst van het bestellen van een café crème (wat scherp en kortaf: un gran crèm silfplaît) zo goed, dat de goede man wel uitkijkt u neerbuigend te behandelen. U eet niet meer in de door de reisgids aanbevolen brasserie, maar in een klein, door uzelf ontdekt buurtrestaurant waar de kok een goddelijke boeuf bourguignon maakt. Als u single bent (of niet), kijkt u koket naar bevallige manspersonen die langslopen. U bent, kortom, zelf ook een beetje een Parisienne geworden.

Tekst: Agnès Michot
Fotografie: Maison de la France