Deze site gebruikt cookies om informatie op te slaan op uw computer. Door het gebruik van onze site accepteert u de voorwaarden. Lees onze Cookie Verklaring.
Doorgaan

Magazine archief


NEEM OF GEEF EEN ABONNEMENT OP LEVEN IN FRANKRIJK

En ontvang de nautische dekbedovertrekset t.w.v. € 89,95!



Bestel hier >>
Jaargang: 2011 Nummer: 1

Leven in Frankrijk, winter 2011

DEZE EDITIE:
Lille
La Maurienne
Droom aan de Dordogne
Oh la la
À table! Met extra veel culinair, o.a.:

Lille

Veel Nederlanders kennen Lille vooral als de stad waar je in volle vaart voorbij rijdt, op weg naar zuidelijker streken. Dat is jammer, want de hoofdstad van de regio Nord-Pas de Calais is een vrolijke, gastvrije stad met veel jonge mensen, waar de kunst floreert en een rijke culinaire traditie in ere wordt gehouden.

Sinds de TGV Brussel razendsnel met Lille verbindt, is niet langer het vertrouwde Gare Lille Flandres, maar het imposante Gare de Lille Europe de plaats van aankomst. Het station ligt in de futuristische zakenwijk Euralille, de ambitieuze stadsuitbreiding waarvoor Rem Koolhaas het concept ontwierp.
De wijk grenst direct aan de oude binnenstad en met zijn grootschalige hoogbouw vormt het hiermee een onwezenlijk contrast. Dat niet iedereen er even gelukkig mee is, bewijst een detail in de gigantische muurschildering van Jean Patou in het metrostation van Gare de Lille Europe. Op de wanden van de enorme hal is de hele wereld afgebeeld, je raakt er niet op uitgekeken. Beneden, in de linkerhoek, heeft de schilder zichzelf geportretteerd: met gestrekte arm wijst hij naar een magere man die, een architectentas onder de arm geklemd, angstig de trap af vlucht. In de architect is duidelijk Rem Koolhaas te herkennen...

De legende wil dat Lille (of Rijsel) werd gesticht door Lyderic du Buc, de held die de verschrikkelijke, om zich heen moordende reus Phinaert wist te verslaan. Als dank ontving hij van de Franse koning Phinaert’s bezittingen en werd hij Prins van Vlaanderen. De eerste bewoners waagden zich in het bevrijde gebied en stichtten er de nederzetting die later zou uitgroeien tot de stad Lille. De reuzen Lyderic en Phinaert staan nu broederlijk naast elkaar in het stadhuis, maar worden bij elke feestelijke gelegenheid door de straten gevoerd.
Historici hebben een ander verhaal over het ontstaan van de stad. Voor het eerst vermeld in 1066, komt Lille achtereenvolgens onder Vlaams, Bourgondisch en Spaans bewind, tot zij zich in 1713 definitief Frans mag noemen. Eenmaal uitgegroeid tot een nijvere industrie­­stad, heeft zij lang te kampen gehad met een twijfel­achtig imago: als somber en grauw stond ze te boek. Toch is er ook een aantal mooie superlatieven op haar van toepassing: zo rijdt hier de eerste volledig automatische metro ter wereld, wordt hier ieder jaar het eerste weekend van september de grootste braderie van het land gehouden, beschikt het Palais des Beaux Arts over Frankrijks belangrijkste kunstcollectie na die van het Louvre en is Lille, met twee universiteiten, de stad met de jongste bevolking van Frankrijk,
De jeugd is dan ook nadrukkelijk aanwezig, flanerend door de kroegrijke straten van de oude stad, bier drinkend op de talloze terrassen aan de Grand Place, omsloten door een staalkaart van drie eeuwen Rijselse architectuur. De officiële naam luidt Place du Général de Gaulle, naar de beroemde militair en staatsman die in 1890 in Lille geboren werd. Zijn geboortehuis is nu een attractief museum. Als in oktober het universitaire jaar weer begint en de eerstejaars worden ontgroend, trekken de studenten in kleurige outfits luid zingend over de Grand Place, om zich massaal in de fontein te storten. Na de zwempartij wordt de fontein weer de geliefde ontmoetingsplaats voor jong en oud. Zodra de kou uit de lucht is, wordt hier, onder het alziend oog van de godin op haar hoge zuil, gepraat, gelachen of zomaar wat stil gemijmerd. Pronkstuk van dit plein der pleinen is de 17de-eeuwse Beurs, schoolvoorbeeld van de flamboyante Vlaamse renaissancestijl. Op de binnenplaats wordt ’s middags (behalve maandag) een tweedehands boeken- en platenmarkt gehouden.

La cuisine ch’ti
Bij de best gesorteerde boekhandel waar ik ooit rondneusde, Le Furet du Nord aan de Grand Place, vond ik niet alleen alle mogelijke gidsen en plaatwerken over Lille en omgeving, maar ook stapels kookboeken over la cuisine ch’ti. Navraag naar de betekenis hiervan veroorzaakte een lichte verbijstering bij de dienst­doende kassier. ‘Les Ch‘tis, c‘est nous!’ Ch’ti is sinds de filmhit Bienvenue chez les Ch’tis van enige jaren geleden een begrip geworden. De uitdrukking voor de bewoners van Nord-Pas de Calais stamt uit de Eerste Wereldoorlog. In de loopgraven bewezen de soldaten uit het noorden elkaar hun solidariteit met de kreet ‘Moi c’est toi!’ (‘Ik ben jij’) wat in het noordelijk dialect klonk als ‘Mi ch’est ti’. Door de andere soldaten werd dit verbasterd tot ‘ch’ti’, dat vervolgens een eigen leven is gaan leiden.
De cuisine ch’ti is alom aanwezig in Lille, dat met ruim negenhonderd horecagelegenheden een eldorado voor smulpapen is. De echte cuisine ch’ti is vooral te vinden in de estaminets (herberg, bierhuis) van le Vieux-Lille, de tot beschermd stadsgebied verklaarde, beeldschone oude stad met zijn romantische eethuisjes en eigentijdse boetieks. Bij Au Vieux de la Vieille bijvoorbeeld, een geliefd eetcafé in een historisch pand. Het is altijd propvol op de twee etages, waar de roodharige Lisa opgewekt de scepter zwaait. Streek­gerechten als Carbonades Flamandes, Waterzooi, Potjevleesch en Poulet au Maroilles (lokale kaassoort) worden in gigantische porties opgediend, lokale bieren als La Mythique de Saint Landelin en L’Amadeus zijn hierbij van harte aanbevolen.
Zelfs in de meer gedistingeerde restaurants hebben de ch’ti-gerechten een plek op de kaart veroverd. Potjevleesch bijvoorbeeld, in uiteenlopende spellingen. In de hoogste gastronomische regionen heeft de Franse haute cuisine de ch’ti-keuken verdrongen. Maître cuisinier Jean-Luc Germond, heer en meester van Le Sebastopol, heeft het Potjevleesch ver achter zich gelaten!

Lees verder over Lille, ook voor tips & adressen, in Leven in Frankrijk nr. 1, winter 2010-2011.

tekst Henriette Klautz - fotografie Eddy Posthuma de Boer