Deze site gebruikt cookies om informatie op te slaan op uw computer. Door het gebruik van onze site accepteert u de voorwaarden. Lees onze Cookie Verklaring.
Doorgaan

Magazine archief


NEEM OF GEEF EEN ABONNEMENT OP LEVEN IN FRANKRIJK

En ontvang de nautische dekbedovertrekset t.w.v. € 89,95!



De Provençaalse charme van de Luberon

Vijfentwintig jaar geleden schreef Peter Mayle zijn bestseller Een jaar in de Provence, het boek dat de Luberon als droomstek lanceerde. Britten en Parijzenaars knuffelden de streek vervolgens bijna dood. Maar wie het tourisme snob links laat liggen, ontdekt de schoonheid van een klein paradijs. Zelfs Peter Mayle woont er weer!

Oh, gelukkig, u bent te voet gekomen’, zegt Anne Bride, terwijl ze de eeuwenoude houten deur van de Abbaye de Saint Hilaire uitloopt. ‘Sommige mensen rijden met de auto tot hier. Dat is jammer, want dan mis je de magie van deze plek. Je moet boven parkeren en de abdij langzaam naderen. Stap voor stap. Als een pelgrim.’
Anne heeft niets teveel gezegd. Te voet heb je het gevoel dat je een ontdekking doet op slechts een paar kilometer van het populaire Ménerbes, het dorp waar Peter Mayle zijn bestseller Een jaar in de Provence situeerde en waar hij een tijdje woonde. Tot het plaatselijke café routebeschrijvingen naar zijn huis ging uitdelen. Toen is hij vertrokken.
Het boek katapulteerde de vergeten Luberon regelrecht de 21ste eeuw in. Of dat goed was voor de streek? Daarover verschillen de meningen. Maar geen paniek, wie de ogen en het hart wijd open zet, vindt er ook nu nog de authentieke charme die Mayle in 1989 met liefde en verwondering beschreef in zinnen als: ‘Het Café du Progrès heeft altijd consequent en met succes zijn best gedaan om niet pittoresk te worden.’
Hier bij de Abbaye de Saint Hilaire lijkt er in al die jaren in elk geval weinig veranderd. Anne Bride is een dame die zo uit het boek van Mayle lijkt te zijn gestapt. Vriendelijk, sterk, vol karakter en voorzien van een heldere eigen mening: ‘Leuk dat u over ons wilt schrijven, maar wij willen hier geen massatoerisme. Daarom laten we het slecht begaanbare pad zoals het is, hebben we geen telefoon en doen we niet aan reclame.’
De boodschap is duidelijk. De Abbaye de Saint Hilaire hoort niet op een lijstje af te vinken attracties van de snelle snacktoerist. Je moet er écht naartoe willen. En met een beetje geluk is Anne of een van haar zussen aanwezig om het verhaal van de abdij te vertellen. Gesticht in de 13de eeuw door karmelieten, vergroot in de 14de en 15de eeuw, verwoest en geplunderd tijdens de Franse Revolutie en gerestaureerd door vader en moeder Bride.
‘Mijn ouders zochten in de jaren zestig van de vorige eeuw een vakantiehuisje’, vertelt Anne. ‘Het werd de ruïne van een abdij die in stallen en schuren was verdeeld. De boer heeft hier zelfs nog lang in een klein deel gewoond. Voor mijn vader en moeder is het opknappen een levenswerk geworden. En voor ons kinderen was dit een vakantieparadijs.’
We lopen door de kapel, de kapittelzaal, de refter en over de binnenplaats. Op tal van plaatsen kijken we uit over de rollende heuvels en de Luberon – pas op, spreek uit als Luu-beu-ron en niet zoals de meeste Parijzenaars doen als Luu-béé-ron. De wind doet de blaadjes aan de olijfbomen ritselen, de cicaden zingen hun zuidelijke lied en het pad terug naar de parkeerplaats ruikt naar tijm, rozemarijn en oregano.

Grote glimlach
We rijden over smalle weggetjes, omrand door muren van grijze steen en passeren kleine wijngaarden, weilanden vol klaprozen, velden met eeuwenoude olijfbomen en mini-akkertjes met een enorme variatie in groente en fruit. Ja, het klopt dat er in plaatsen als Gordes – spectaculair gelegen boven de vallei – zo grondig is gerestaureerd dat het bijna een museum is geworden. Maar evengoed is het waar dat er zoveel moois en warms is overgebleven, dat je er met een grote glimlach over het platteland zwerft tussen plaatsjes als Maubec, Oppède-le-Vieux, Saint ­Pantaléon en Goult.
Natuurlijk kun je stoppen bij de belangrijkste bezienswaardigheden van de streek, zoals de oude stad van Gordes, de abdij van Sénanque en Fontaine-de-­Vaucluse, waar zich de onderaardse bron van de Sorgues bevindt. Wij verkiezen echter een rondje op goed geluk. Daar waar het gevoel je naartoe brengt.Weggetje links, weggetje rechts. En dan af en toe een keer aanleggen bij een dorpsmuseum, een fijn terras of een wijndomein.
Domaine de la Royère bevindt zich op een steenworp van Oppède en wordt gerund door Anne Hughes, die sinds 1988 heerlijke wijnen maakt en een ambassadrice is voor vrouwen in de wijnbouw. Zo begon ze in 2004 de organisatie Femmes Vignes Rhône, die inmiddels meer dan dertig leden telt. ‘Toen ik begon was het ongewoon dat je als vrouw in de wijnbouw ging, maar tegenwoordig vind je in onze sector overal vrouwen’, vertelt ze in het proeflokaal van het domein. ‘Ik denk niet dat er grote verschillen zijn tussen wijnen die door mannen of door vrouwen worden gemaakt. Misschien dat wij iets meer bezig zijn met aroma’s, kleuren en frisheid.’
Anne vertelt dat er in de Luberon een toenemende vraag is naar frisse, fruitige rosé, maar wel met karakter, zodat hij een heel jaar lang gedronken kan worden. ‘Vroeger werd van een slechte rode wijn vaak rosé gemaakt, maar tegenwoordig maakt rosé bijna tweederde uit van de productie. Dus is er veel meer variatie en kwaliteit.’
De rijkdom aan wijnen kan worden bekeken en geproefd in het Maison de la Truffe et du Vin in Ménerbes. Het statige pand was ooit de woning van een edelman en later onder meer een school. Nu is het behalve een museum ook dé plek om truffel te eten. Hoewel de nadruk natuurlijk ligt op de zwarte Melanosporum, die ’s winters wordt geoogst, kun je er ook terecht voor de minder aromatische truffe d’été met een bijna blanke binnenkant: ‘Les grosses ravioles de brousse et roquette sauce crème et truffe Aestivum.’ Hmmmmm!

Peter M.
Het was stiekem de bedoeling om door de Luberon te reizen zonder aan Peter Mayle te denken. Maar die missie kan na twee dagen al als volstrekt mislukt worden beschouwd. Zijn personages en sfeer zijn
25 jaar later nog alom aanwezig. Misschien wat minder prominent dan destijds en vaak voorzien van een eigentijds randje, maar toch, je kunt er eigenlijk niet omheen.
Neem de route naar het kleine Murs. We verbazen ons, net als Mayle, over de talrijke wielrenners die er naar boven trappen. ‘De vrouw die het Café Clerici beheert stond buiten met haar handen op haar ruim bemeten heupen. Ze bekeek de twee figuren die daar met rood aangelopen gezichten over hun stuur hingen. Mon Dieu! De Tour de France is wel vroeg dit jaar.’
Het dorp Murs telt een handvol straten en ligt te luieren in de vandaag wat waterige zon. ‘Het leven is hier goed’, vertelt Edward Cristaudo, een topkok die uit Parijs naar de Luberon is verhuisd voor bistro, gastro en een prettiger bestaan. ‘Mensen nemen hier nog de tijd voor elkaar. Als je een beetje in vriendschappen investeert, krijg je er een echt dorpsleven voor terug.’
Cristaudo glundert als het over de keuken van restaurant Le Crillon gaat. ‘Bijna alle ingrediënten kan ik hier in de omgeving vinden. Ik verbouw zelf veel groente, kruiden en eetbare bloemen en wat ik niet heb, haal ik om de hoek. De Luberon is een ­schatkamer als het op verse producten aankomt. En nog echt agrarisch ook. Hoewel de gastronomische keuken licht en modern is, kook ik voor de locals ook altijd een stevige lunch, want dat is wat ze hier na het werk op het land graag hebben.

Tekst en foto's Hans Avontuur

Lees verder over de Luberon, ook voor tips en adressen in Leven in Frankrijk nr. 4, zomer 2014