Huizenaanbod

Columns
stefan-de-vries

Zonder poeha

Frank Renout

 

Frank Renout is correspondent voor verschillende Nederlandse en buitenlandse media in Frankrijk, waaronder het ‘NOS Journaal’ en het AD. En hij is onze columnist.

 

Ik hield al van lekker eten, maar in Frankrijk heb ik geléérd om lekker te eten. Ik durf wel te zeggen dat wonen in Frankrijk een culinaire ontdekkingstocht is.

In de Luberon liep ik met geiten de bergen in om daarna, weer terug beneden, door de boer uitgelegd te krijgen hoe hij drie soorten geitenkaas maakte. Vakmanschap. In Parijs vertelde een top-sommelier me waarom hij bij ons hoofdgerecht een volstrekt onbekende wijn koos zónder AOC-keurmerk. Lef.
Maar de ontdekkingsreis begon thuis.
Onze buren – gepensioneerde boeren – hadden vroeger een aardbeienveld. Vanuit ons raam keken we er zo op uit. De aardbeien verkochten ze hoogstpersoonlijk aan restaurants in de omgeving. In ónze tuin staat een eeuwenoude acaciaboom. De buurvrouw vertelde – toen wij er nog niet woonden en ons huis leegstond – dat haar hele familie elk voorjaar op kousenvoeten onze tuin insloop en daar de bloemen van die boom plukte. “Daar vieren we altijd het begin van het voorjaar mee’’, zei ze. “Van de bloemen bakken we beignets en die eten we met de hele familie op.’’

Ze bedoelde natuurlijk: hoe moet dat, nu het huis door jullie bewoond wordt?

U snapt het. Elk voorjaar rukken wij nu uit met een ladder, plukken de bloemen, soms ook samen met de buren, en verdelen we de buit. In ruil kregen we van de buurvrouw haar beignetrecept.

De zondagslunch dan. Vrienden gebruikten de langdurige aangename meer-gangen-zit al snel om Bretonse bevrijdingsliederen in te zetten, een vriend trok er een zelfgemaakte fles likeur bij open. Hij hing daarvoor lege flessen in de boom, om piepkleine babyperen heen. Peer en fles worden later samen geplukt. Daar gaat de alcohol in en overheen. En bij de zondagslunch mogen wij dan meegenieten.

Restaurants zijn als een tweede huis voor veel Fransen. Als journalist mag je ook weleens in de keuken kijken en de kok het hemd van het lijf vragen. Een chef in een hotel in Parijs schotelde ons de allerlekkerste aubergine voor. Hij vertelde waar die vandaan kwam: van een boerderij aan de rand van de hoofdstad, onder de spreekwoordelijke rook van zakenwijk La Défense. Niet de plek waar je een groenten-walhalla verwacht, maar we gingen erheen en waren verkocht.

Om eerlijk te zijn, maakten koks me altijd een beetje achterdochtig. Ik vond het allemaal vaak te veel ego, poeha en vloeibare stikstof. Maar dat vooroordeel sneuvelde, nota bene dankzij ontmoetingen met de twee grootsten der groten.

Jaren geleden ontmoette ik Paul Bocuse, met de getatoeëerde haan op z’n bovenarm. Hij nam me niet alleen mee naar zijn sterrenrestaurant maar ook naar de broodjeszaak die hij net had geopend in Lyon. Bocuse – destijds drie Michelin-sterren – ontnuchterde al mijn Franse culinaire visioenen en vooroordelen met de opmerking dat ‘goedkoop niet slecht hoeft te zijn’. Zijn fastfoodrecept: betaalbare kwaliteitsbroodjes met kip of gerookte zalm. Studenten en bouwvakkers liepen er in en uit. De keten van brasserieën van Bocuse in Lyon, met een driegangendiner voor rond de 33 euro, zit niet voor niets elke avond vol.

Alain Ducasse is natuurlijk de erfgenaam van Bocuse. Maar dan degene die er als eerste topkok ter wereld in slaagde om een mondiaal culinair imperium op te zetten. Ducasse werd een merknaam met sterren en restaurants in Las Vegas tot Singapore, koksscholen en kookboeken (via ‘Uitgeverij Ducasse’), hotels en chocoladewinkels, een bootrestaurant en zelfs een culinair adviesbureau.

En toch. Ik at eens met hem in Parijs in zijn visrestaurant Rech en daar vertelde hij over de drie ingrediënten voor een goed gerecht: eerlijke kwaliteitsproducten, een simpele bereiding, en authentieke geuren en smaken. Natuurlijk mag de maaltijd worden opgemaakt als een kunstwerk, mag het tafelkleed chic ogen, en worden soms zijden handschoentjes aangetrokken om de kaas aan te snijden, maar de asperges en de griet die we er aten waren verfijnd in al hun eenvoud.
Niks ego of poeha.