Ik was op reportage in Villars-les-Dombes.

Waar?

In Villars-les-Dombes, ja. Bijna niemand kent het. Het is een klein stadje ten noordoosten van Lyon. Eigenlijk is het alleen bekend bij liefhebbers van kip (om te eten) en liefhebbers van vogels (om naar te kijken).

Villars-les-Dombes ligt namelijk vlakbij Bourg-en-Bresse, wereldberoemd vanwege z’n lokale lekkernij: een schijnbaar zeer smakelijke vleeskip (sorry, ik weet het niet zelf: ik ben vegetariër) waarvan de kwaliteit wordt beschermd wordt door een AOC, een Appellation d’Origine Contrôlée.

En Villars-les-Dombes trekt toeristen vanwege z’n vogelpark: een natuurgebied van 35 hectare met 250 vogelsoorten uit de hele wereld en toegankelijk voor publiek.

Ik was er niet voor de kip of de vogels. Ik moest er toeristen interviewen. Toen ik klaar was, stapte ik in de auto, richting Parijs. En ik was nog maar net aan het rijden toen ik zag dat ik omringd was door meertjes. Niet één of twee, nee: kilometers lang was er links en rechts, voor me en achter me, overal water. Ik stopte, klikte op de landkaart op mijn telefoon, zoomde uit, en zag tot mijn grote verbazing dat ik eigenlijk tússen het water door manoeuvreerde: kleine weggetjes kronkelen zich door een gebied van 11.000 hectare met 1.100 meren!

1.100 meren en ik had nog nooit van dit gebied gehoord!

Engeland, de VS en Canada kloppen zichzelf allemaal op de borst vanwege hun meren – Great Lake District hier, Great Lake District daar – maar de meren bij Villars-les-Dombes lijken in stilte te worden gekoesterd. Ik reed er helemaal in mijn eentje. Nergens een toeristenbus te zien.

“De meren zijn eeuwenoud en ooit aangelegd door monniken”,  vertelde het toerismebureau van het departement Ain me. “Sinds de 11de eeuw worden ze vooral gebruikt door vissers. En al die meren zijn met elkaar verbonden door een ingenieus kanalenstelsel.”

Ze zijn aangelegd, dus eigenlijk zijn het een soort vijvers. Er zijn dijkjes, slootjes en mini-sluisjes die het water kundig langs en door de vele honderden vijvers leiden.

Vissers lopen er al eeuwen doorheen. Ze trekken ook nu nog steeds op traditionele manier hun netten achter zich aan. De grootste vangst bestaat uit karpers.

En verder is het een prachtig en rustig natuurgebied, vlakbij Lyon. Je kunt er wandelen en fietsen en vogels spotten. Er zijn hutten aan het water waar je ongemerkt via kijkgaten flora en fauna kunt bestuderen of kikkers kunt beluisteren.

Dat ontdekte ik dus allemaal toevallig terwijl ik er was voor een reportage over een heel ander onderwerp. Lang leven mijn werk!

En als ik de beste tip mag geven, die ik zelf kreeg van een lokale gids: ga er ’s morgens vroeg heen, als het nog donker is en niet te bewolkt. Trek een paar goede schoenen of laarzen aan en bekijk op het vlakke land de zonsopkomst en luister hoe de dieren wakker worden.  

Voor wie dat nog niet romantisch genoeg is: er zijn ook houten hutjes die ín het water staan, waar je kunt logeren. Je moet er met een bootje naar toe varen en je mag in de hut, boven het water, overnachten.

Wat nou Great Lake District? Op naar Villars-les-Dombes!

Frank Renout is correspondent voor verschillende Nederlandse en buitenlandse media in Frankrijk, waaronder het ‘NOS Journaal’, het AD én hij is onze columnist!

 

Vlokjes sneeuw, lichtjes, blije kindergezichten en warme chocola. Als ik denk aan de winters in Parijs realiseer ik me nog eens hoe mooi de stad is. Ik ben gek op de zomer – de terrassen zitten vol en de Parijzenaars bloeien op – maar in de winter laat Parijs z’n intieme en warme kant zien.

Dus: warme kleren aan en naar buiten! Al was het maar omdat je dan op de leukste pleinen (Place Saint-Sulpice bijvoorbeeld) en bekendste straten (Boulevard Saint-Germain onder meer) glühwein kunt drinken.

Toen onze kinderen klein waren namen we ze altijd mee naar de grote warenhuizen – althans: de buitenkant. Galeries Lafayette en Printemps zijn al jaren verwikkeld in een vriendschappelijke wedstrijd: wie maakt aan het eind van het jaar de mooiste kerstetalages? Het zijn ware spektakels met muziek, bewegende poppen en dieren en verlichte miniatuurgebouwen. Ik mocht ooit de hoogst verantwoordelijk bij Printemps interviewen. Die legde me uit hoe kunstenaars en specialisten worden ingehuurd om al dat fraais te bedenken en te maken. Ik vroeg hem hoeveel voorbereidingstijd nodig was om die etalages te maken. Die vraag stelde ik in december. Hij zei: volgende week beginnen we met de etalages van volgend jaar.

Als er sneeuw is krijgt Parijs een betoverend laagje. Witte kades langs de Seine, waar verliefde stellen hun voetstappen in zetten. Witte hellingen in het Parc des Buttes-Chaumont, waar Parijzenaars stiekem hun ski’s onderbinden en naar beneden suizen. En droge voeten in eeuwenoude winkelgalerijen: wat is er mooier dan even voor de sneeuw te schuilen in Galerie Vivienne?

Wie trouwens eens buiten de gebaande paden wil treden: ook rondom Parijs kan het er sprookjesachtig aan toe gaan. Als ergens alles uit de kast wordt getrokken om voor feeërieke taferelen te zorgen dan is het wel op Franse kastelen. Château de Chantilly (aan de noordkant), Château de Fontainebleau (aan de zuidkant) en zelfs Château de Breteuil (tussen Amiens en Parijs) worden prachtig versierd en uitbundig en sfeervol verlicht. En wie gewoon even vanuit Parijs in de metro wil stappen: ook Château de Versailles is een winterse topbestemming, met een speciale kerstvoorstelling én een ‘barokke’ Kerstman.

Ook verplichte winterkost: warme chocolademelk. Wereldberoemd is die van Angelina – maar ga dan wel naar de oudste, mooiste en beroemdste vestiging, die aan de Rue de Rivoli. Ze maken er een kop voor je klaar met gesmolten chocola uit Niger, Ghana en Ivoorkust.

Nu we het daar toch over hebben: rond de feestdagen hebben Parijzenaars bijna allemaal één favoriete bestemming en bezigheid. Ze zijn bereid om er uren voor in de rij te staan. Als je groepen mensen geduldig op een trottoir ziet staan, dan weet je het: hier is een patissier gevestigd die zijn jaarlijks Bûche de Noël maakt, een ‘kerststammetje’. Het is een soort taart, traditioneel in de vorm van een boomstam, maar de banketbakkers laten hun fantasie de vrije loop. Ter illustratie: Yann Couvreur maakte vorig jaar een bûche in de vorm van een sneeuwlandschap met daarop zes slapende en opgerolde vosjes. Ik bedoel maar. Parijs is adembenemend in de winter.

Frank Renout is correspondent voor verschillende Nederlandse en buitenlandse media in Frankrijk, waaronder het ‘NOS Journaal’, het AD én hij is onze columnist!

 

Ik moest voor mijn werk naar Calais. Een verhaal maken over de migranten daar, die Het Kanaal oversteken. Onderweg op de snelweg wilde ik nog even (handsfree) de redactie bellen voor overleg. Helaas. Er was geen telefoonnetwerk. Ik reed bijna een half uur zonder dat ik kon bellen.

Voor de televisie was ik in Normandië. We maakten een reportage en moesten die doorsturen naar Hilversum. Dat gaat via een speciaal apparaat met acht simkaarten. Helaas. Er was op de plek waar we filmden geen 4G-netwerk, wat minimaal nodig is voor het verzenden van tv-beelden.

In Bretagne schreef ik een verhaal voor de krant. Dat moest snel, vlak voor de deadline. En dus ook snel opsturen, via mijn laptop. Maar nee. Ik zat in mijn auto mijn verhaal te tikken, in een fraai dorpje zonder goede verbinding. Dus moest ik noodgedwongen een heuvel oprijden in de omgeving: daar was wel een signaal.

In Frankrijk zijn er anno 2023 nog volop zones blanches: gebieden waar je niet of nauwelijks verbinding krijgt met je mobiele telefoon. Gewoon omdat er geen antennepalen in de buurt staan.

Eind 2022 waren er verspreid over Frankrijk nog ruim 2.700 plekken waar je mobiele telefoon noodgedwongen stil blijft. Vaak zijn het gebieden met heel weinig huizen en bewoners.

Volgens officiële cijfers is 187.000 vierkante kilometer in Frankrijk (29 procent van het totaal) ‘heel dun’ bevolkt. De telefoonaanbieder ziet er geen brood in om daar een antenne neer te zetten. Omgerekend hadden eind 2022 ruim 700.000 Fransen helemaal geen mobiel netwerk, en nog eens 700.000 Fransen woonden in een gebied met maar één aanbieder.

Ter herinnering: in 2017 beloofde president Macron dat héél Frankrijk al in 2020 bedekt zou zijn met snelle tot ultrasnelle mobiele netwerken. Het werd door de regering de ‘New Deal’ van de Franse telecom genoemd. Álle Fransen aan het mobieltje.

Niet dus, weten we nu. Het ontbreken van een netwerk leidt zelfs regelmatig tot problemen – soms klein en soms groot.

Campinghouders klagen regelmatig dat ze belletjes van toeristen niet ontvangen. Tussen de tenten en caravans op mooie plekken in de bergen of bossen kan helaas niet gebeld worden.

In het dorpje Hannappes, in Noord-Frankrijk, kreeg de echtgenote van de zeventigjarige François Carion vorig jaar thuis een hartaanval. Hij had geen vaste telefoonlijn maar wel een mobiel. “Ik probeerde de ambulance te bellen, maar dat lukte niet. Ik heb een vriend gebeld die brandweerman is, maar kreeg daar ook geen verbinding’’, vertelde Carion achteraf. Zijn vrouw overleed. De burgemeester van het dorp vraagt al jaren tevergeefs om een zendmast.

Dat zijn gelukkig uitzonderingen. En laten we niet vergeten dat ook de Fransen zélf soms de vooruitgang tegenhouden. In plattelandsdorpen wordt regelmatig geprotesteerd als de burgemeester van plan is een hoge zendmast neer te laten zetten. Liever geen 4G dan een lelijke mast in het dorp.

Wij wonen zelf in een klein dorp en hebben alleen 4G in één kamer boven, én als we in de tuin (richting het noorden) staan. Gelukkig is hier sinds kort glasvezel aangelegd. Dat heeft jaren geduurd. Zo’n kabel doortrekken naar een klein dorp was blijkbaar voor niemand een prioriteit. Toen die er eenmaal was, kon iedere inwoner afzonderlijk glasvezel aanvragen: van de straat naar het huis. Dat deden we. Er hoefde maar één kabel te worden opgehangen: van de paal die op de weg staat, naar ons huis. De aanvraag daarvoor deden we in april. De aansluiting was er in december. Lang leve de New Deal.

Frank Renout is correspondent voor verschillende Nederlandse en buitenlandse media in Frankrijk, waaronder het ‘NOS Journaal’, het AD én hij is onze columnist!

 

Frankrijk heeft een fascinatie voor z’n sterren. En als twee sterren één amoureus koppel vormen dan is het helemaal feest. Niet alleen de roddelpers maar zelfs Franse kwaliteitskranten en televisie-journaals zwijmelen nog wel eens weg als liefde, glitter en glamour samenvallen.

En we hebben hier natuurlijk nogal wat van die koppels gehad. Édith Piaf was met bokser Michel Cerdan. Je had een president (Sarkozy) met een fotomodel (Carla Bruni). Alain Delon en Romy Schneider vormden een legende. ‘Sartre en De Beauvoir’ hebben niet eens voornamen nodig. Zeg je Serge Gainsbourg, dan zeg je Jane Birkin (of Brigitte Bardot, of nog een heleboel anderen – maar dat is weer een ander verhaal.)

Anno 2023 is er weer zo’n sterrenkoppel waar de spanning en de schoonheid van afdruipt. Zij is Leïla Bekhti en hij is Tahar Rahim. Beiden acteurs, beiden sterren, beiden in Frankrijk geboren en met Algerijnse roots. Wil je hedendaagse Franse glamour zien, google dan even een foto van deze twee.

Ik zeg er eerlijk bij: ook ik weet pas sinds kort dat zij een stel zijn.

Rahim werd bij het grote publiek buiten Frankrijk in 2021 bekend door zijn angstaanjagend goede rol als seriemoordenaar in de Netflix-serie The Serpent. In Frankrijk is hij al sinds 2009 een beroemdheid. Hij kreeg toen zeer lovende kritieken voor z’n acteerprestaties in Un prophète van regisseur en scenarioschrijver Jacques Audiard.

Bekhti speelde in diezelfde film en leerde er op de set haar toekomstige echtgenoot kennen. Ze maakte in ongeveer dezelfde periode als Rahim carrière. Haar vertolking van een ‘banlieuemeisje’ in Tout ce qui Brille in 2010 was een groot succes in de bioscoop. Dit jaar speelde ze in een humoristische serie op de streamingdienst Prime met sterren als Gad Elmaleh en François Damiens.

Tot zover de feiten. En dan nu de magie.

Ik ben geen groupie, maar eerlijk is eerlijk: dit stelt spreekt in heel veel opzichten tot de verbeelding. Het zijn iconen. ‘L’un des couples les plus discrets et les plus glamours’, schreef Marie Claire. Ze zijn al sinds 2010 samen, er zijn geen relationele schandalen bekend, en ze hebben drie kinderen die ze ook nog eens buiten het oog van de camera’s houden. Hulde dus.

Héél soms praten ze wel eens over hun relatie. En dan is het één en al wederzijds respect en wederzijdse bewondering. Twee grote sterren, twee geslaagde carrières, één succesvol huwelijk. Het kàn, zelfs in Frankrijk met z’n toch wel conservatieve tradities, machocultuur en overspelige sterren. Hun succes is ook opvallend omdat jonge Fransen tegenwoordig zweren bij reality-series waar modelachtige dommeriken met botox aan de lopende band – en live op tv – ruzie maken en van partner wisselen.

Niet Bekhti en Rahim. “De eerste seconde dat ik haar zag wist ik dat ze mijn vrouw zou worden en de moeder van mijn kinderen”, zei hij. “We zijn heel verschillend. Hij is nauwgezet, ik ben chaos, dus we vullen elkaar precies aan”, zei zij.

En dan is er nog dat andere aspect: de camera. De camera is verliefd op deze twee. Geef Rahim en Bekhti een rol, en er gebeurt iets. Hun charisma en talent werken bijna hypnotiserend.

Het goede nieuws: er valt heel veel van ze te genieten. In de serie The Eddy speelden ze kortgeleden weer eens samen. Rahim mag Charles Aznavour spelen in een film die volgend jaar uitkomt. En Bekhti neemt regelmatig stelling tegen racisme en seksisme. Samen met Omar Sy steunt ze een stichting die activiteiten organiseert voor kinderen in ziekenhuizen.

U snapt het: ik ben verkocht.

Frank Renout is correspondent voor verschillende Nederlandse en buitenlandse media in Frankrijk, waaronder het ‘NOS Journaal’, het AD én hij is onze columnist!

 

In een drukke stad heb je groen nodig. Met alleen beton en uitlaatgassen is het leven niet leuk, hoe mooi de musea en hoe gezellig de caféterrassen ook zijn. En laten nou in Parijs ongeveer drie keer zoveel mensen per vierkante kilometer wonen als in New York of New Delhi. Parijs is 105 km2 groot en telt ruim twee miljoen inwoners. Dat vinden best veel Parijzenaren verstikkend. Dus bomen en planten zorgen voor een beetje rust en ruimte.

Grappig feitje: de plek in Parijs met het meeste groen is de plek met het minste leven. Nergens staan namelijk zo veel bomen in de stad als op begraafplaats Père Lachaise: het zijn er meer dan vierduizend. Vijf tuinmannen en -vrouwen zijn er dagelijks in de weer.

Ik heb zelf twee favoriete parken in Parijs. De Jardin du Luxembourg is een park voor iederéén. Er zijn speeltuinen, tennisvelden en petanquebanen, maar ook picknickplekken, een museum en de romantische Fontaine Médicis. Van een heel andere orde is de elegante en symmetrische Jardin du Palais Royal, achter de Comédie Française. Een kleine oase vol charme. Ik was ooit op bezoek bij iemand die hier woonde, letterlijk: in een van de panden rondom het park. Het uitzicht op de bomen en de vijver was – ik kan het niet anders zeggen – adembenemend.

Maar ik wil het eigenlijk hebben over de twee grote bossen bij Parijs. Aan de zuidoostkant ligt het Bois de Vincennes, dat 995 hectare groot is. Aan de westkant ligt het Bois de Boulogne, zo’n 845 hectare. Ik ken beide bossen goed. Mijn oudste zoon ging naast het Bois de Vincennes wonen, mijn jongste zoon naast het Bois de Boulogne. Met de eerste wandelden we over de lange paden naar het eeuwenoude Château de Vincennes en huurden we een roeibootje in een van de meertjes. Met de tweede namen we de hond mee naar de plek in het bos – naast de paardenrenbaan – waar héél veel hondenliefhebbers komen om hun dieren samen te laten spelen.

In het drukke Parijs zijn mensen gehecht aan hun parken en bossen. En helemaal nu, met de klimaatveranderingen. Als er ook maar één boom ergens dreigt te sneuvelen, dan wordt er meteen een online petitie op poten gezet om die boom te redden. Dat was al zo bij het Champ-de-Mars naast de Eiffeltoren. Het park werd op de schop genomen, mede vanwege de aanstaande Olympische Spelen, en een twintigtal bomen moest gekapt worden. Een storm van protest stak op, een petitie werd 90.000 keer ondertekend en het gemeentebestuur gaf toe: de kettingzagen werden weer opgeborgen.

Nu speelt hetzelfde bij het Bois de Vincennes. De stad Parijs is er bezig met een ‘herinrichting’ van het bos. Sommige boomsoorten worden gekapt, mede omdat metrolijn 1 er wordt uitgebreid. Maar de tegenstanders noemen het ‘Disneylandisation’, omdat natuur zou moeten wijken voor recreatie. En als Fransen verwijzen naar iets Amerikaans bedoelen ze dat nooit positief. Ook hier roerden de actiegroepen zich en ook hier bond de overheid in. De uitbreiding van de metro is opgeschort vanwege ‘mogelijk aanzienlijke schade aan de natuur’.

Het is dan wel weer grappig dat midden in dat Bois de Vincennes elk jaar het popfestival We Love Green wordt georganiseerd, met tienduizenden bezoekers. Volgens de tegenstanders vertrappen die bezoekers de natuur, volgens de organisatoren is het festival juist bedoeld om het natuurbewustzijn te vergroten.

Mijn oudste zoon bewandelt de middenweg. Hij wandelt graag in het bos én gaat naar het popfestival.

Frank Renout is correspondent voor verschillende Nederlandse en buitenlandse media in Frankrijk, waaronder het ‘NOS Journaal’, het AD én hij is onze columnist!

 

Kort geleden maakte ik een roadtrip. Een echte: zo’n zeshonderd kilometer van Parijs tot aan de punt van Bretagne, de Finistère. En wat een moois zie je dan.
Als correspondent wil je wel eens opgaan in je werk. Je volgt dagelijks het nieuws, doet verslag van stakingen en inflatie, en vergeet ondertussen hoe mooi het land is. Zo’n roadtrip doet dan wonderen.
Om even de sfeer te schetsen: begin in L’Hôtel in Saint-Germain-des-Prés waar Oscar Wilde zijn laatste dagen doorbracht. Gewoon om aan het begin de sfeer en grandeur van Parijs mee te krijgen.

Hoe mondain wil je het hebben?

En dan rijden maar, naar het westen. Na een uurtje zit je in Normandië en kom je langs oneindige weilanden waar koeien al grazend je kaasje voor-produceren. De kust lonkt, de route gaat langs eeuwenoude huisjes met houten balken in de gevels. En wat indrukwekkend blijft: de immense D-day-stranden.

Hoe historisch wil je het hebben?

Ik zie langs de weg een automaat staan waar je verse oesters ‘uit de muur kan trekken’. Gewoon op een kleine parkeerplaats. Maar dat terzijde. Na Caen verandert alles. Geen driebaanswegen meer. Ruwer landschap. Ik ken de Mont Saint-Michel en toch ben ik opnieuw betoverd als ik het eiland uit mijn autoraampje zie. Volgende bestemming: Bretagne. Je weet het meteen als je er binnenrijdt. De namen op de verkeersborden. Ik zie Ploufragan en Gommenec’h en herinner me dat we – na een eerste reis hier – zeiden dat we onze twee katten Pleucadeuc en Questembert zouden noemen.Hier liggen ook de stenen van Bod-er-Mohed, daterend van duizenden jaren vóór onze jaartelling. Het werd de ‘Grot van de Feeën’ genoemd en ook ‘De Dwergenkamer’.

Hoe sprookjesachtig wil je het hebben?

Ik parkeer bij de baai van Plouezoc’h, in de noordelijke punt van Bretagne, en loop over zanderige paadjes langs het water: uitzicht op zee en vissers, nergens toeristen of hoge bebouwing. Zeemeeuwen begeleiden me vanuit de lucht.Maar ik moet naar het zuiden van de Finistère. Op kleine weggetjes door ruw landschap en minuscule dorpjes zie ik een verkeersbord: ‘overstekende koeien’. Dan wordt alles heuvelachtig en zwart. Het zijn de geblakerde resten van de enorme bosbranden van de vorige zomer. Hoe lang duurt het voor de natuur zich herstelt? De aarde lijkt een jaar later nog steeds bezaaid met alleen maar grijze as en zwarte kooltjes.

Hoe treurig wil je het hebben?

Hier ligt nóg een Mont Saint-Michel. Een ruim driehonderd meter hoge berg die net als de rest van de omgeving zwartgeblakerd is. Bovenop prijkt de kapel van Saint-Michel de Brasparts. Een jaar geleden sloegen de vlammen hier wild om zich heen, alles werd geveld – behalve dit ene gebouwtje. “De kapel bleef rechtop staan, zelfs toen het vuur likte aan de gevel’’, schreef een poëtische journalist destijds. Dat was geen goddelijke ingreep en ook geen wonder, zei de lokale kerkleiding: de kapel staat op een stenen ondergrond zonder begroeiing en – blijkbaar – op veilige afstand van brandende bomen.

Ik rijd verder, ga richting Plomeur in het zuiden en eindig op La Plage de la Torche: een uitgestrekt zandstrand dat een topbestemming is voor surfers. De ene na de andere duikt tussen de rotsen met een plank de zee in. Ik ga zitten in het zand. Ik denk aan Oscar Wilde, aan oesters, aan feeën en aan likkend vuur.

Mijn roadtrip is geslaagd

Frank Renout is correspondent voor verschillende Nederlandse en buitenlandse media in Frankrijk, waaronder het ‘NOS Journaal’, het AD én hij is onze columnist!

 

Bij onze Auchan-supermarkt (met een duizelingwekkende 65 kassa’s) zijn nieuwe schappen neergezet. ‘Le Corner Français’ staat erboven. Het is vreemd dat het er half in het Engels staat, want de producten die er liggen zijn juist nadrukkelijk Frans en de bedoeling is dat de Fransen die kopen om hun eigen Franse economie te steunen.

Maar goed, ondanks het Engels vind ik het een lovenswaardig initiatief. Het is president Macron geweest die er de afgelopen jaren continu op hamerde: koop eigen waar. Met miljoenensubsidies worden Franse bedrijven die verhuisden naar lagelonenlanden zelfs aangemoedigd terug te keren naar de moederschoot, Frankrijk dus.

Een goed idee, maar toch. Mag ik er, als serieuze correspondent, twee kanttekeningen bij plaatsen?

De Auchan-aanpak is begrijpelijk, want niet alleen Macron maar Franse politici in het algemeen hameren er al jaren op dat we onze eigen producten en producenten moeten steunen – of het nou gaat om tomaten of Renaults. Maar als de Chinezen of de Amerikanen iets soortgelijks doen, dan schreeuwen Franse politici moord en brand.

Toen president Macron eind vorig jaar bij president Biden op bezoek ging had hij flinke kritiek op Bidens ‘buy American’-beleid, maar dat is precies hetzelfde als wat mijn Auchan doet op aanbevelen van Macron.

Ten tweede: bij die Franse ‘corners’ is het vaak opvallend stil. Het is er zelfs zó stil dat het Franse tv-journaal er een reportage over maakte. Wat bleek? Die ambachtelijk in Frankrijk gemaakte truien zagen er heel fraai uit maar waren voor de doorsnee Auchan-klant veel te duur. Twee schappen verder lag een Made in China-trui voor een kwart van de Franse prijs.

Dat is eigenlijk overal het probleem als het gaat om de ‘Koop Franse Waar’-campagne. De bedoelingen zijn goed, maar het is niet te betalen.

Een belangrijke reden daarvoor is een oude kwaal van de Franse economie: de belastingdruk. Die is enorm hoog in vergelijking met concurrenten. Frankrijk int vier keer zoveel bedrijfsbelasting als Duitsland doet, becijferde het Institut Montaigne, een liberale denktank.

President Macron doet z’n best. Hij zet in op belastingverlagingen maar de verschillen met buurlanden blijven groot. Het Franse kledingmerk Royal Mer zegt de omzet heel voorzichtig te zien stijgen dankzij Macrons pro-Frankrijk campagne. “Maar het blijft kwetsbaar: we kunnen niet dezelfde prijzen bieden als Aziatische producenten.” Kledingmerk Jules kwam met een Made in France-spijkerbroek (sorry: ze gebruiken zelf die Engelse woorden). “Ons concept ‘Made in France’ heeft een prijskaartje, maar we leveren wel kwaliteit en zorgen voor banengroei.”

Overigens biedt ‘Made in France’ geen garantie op een honderd procent Frans product. Een trui die is gemaakt met katoen uit Azië en is geverfd in Noord-Afrika en in Frankrijk daarna alleen nog in elkaar wordt genaaid: dat shirt mag zich gewoon officieel een Frans product noemen. De wet zegt: als het laatste deel van het productieproces maar Frans is.

En er is ook volop fraude. In Marseille werd vorig jaar 4,5 ton aan groenten en fruit in beslag genomen: de zogenaamd ‘Franse’ mandarijnen bleken niet uit Frankrijk te komen. Daar is ook al een naam voor bedacht, dit keer wel in het Frans: de mandarijnen waren francisé.

Het ministerie van Economische Zaken deed landelijk onderzoek naar producten die zich presenteren als ‘100 procent Frans’. In vijftien procent van de gevallen was sprake van fraude en oplichting: zelfs de ruime formulering in de wet werd niet eens nageleefd.

Frank Renout is correspondent voor verschillende Nederlandse en buitenlandse media in Frankrijk, waaronder het ‘NOS Journaal’, het AD én hij is onze columnist!

 

Frank Renout is correspondent voor verschillende Nederlandse en buitenlandse media in Frankrijk, waaronder het ‘NOS Journaal’ en het AD. En hij is onze columnist.

Alle kenners weten het: Place de Furstemberg geldt zo’n beetje als het meest romantische pleintje van Parijs. Verstopt achter de boulevard Saint-Germain, stil en intiem, en ideaal voor een eerste (of tweede of derde…) kus met je geliefde.

In feite is het een rotonde, maar dan zó klein en lieflijk dat die typering volledig misplaatst is. Toch is er iets met rotondes in Parijs. Ze zijn als een soort microkosmos. Als er ergens een rotonde is, dan is er ook een café, een metrohalte en een krantenverkoper. De buurt komt er samen. Het is dus de ideale plek voor journalisten om te observeren en allerhande bewoners te spreken. Ik kwam regelmatig op Place Gambetta, een plein/rotonde in het noordoosten van Parijs.

Dat is inmiddels het plein van de metamorfosen. Zo’n 25 jaar geleden was het een rauwe wijk, bijna een no-goarea. Het was er vervallen en niet veilig. Zo’n tien jaar geleden was de wijk juist in de mode: de appartementen waren er nog betaalbaar, dus jongeren en studenten streken er neer. En nu is het gerenoveerd à la 2022. Er liggen brede fietspaden en er zijn modieuze houten halfronde ‘zitplaatsen’ ingericht. Het is niet meer rauw en niet meer jong. Het is bijna Hollands netjes. Gelukkig is Café Le Gambetta er nog met z’n miniterras. De krantenkiosk is er ook nog, maar die is – net als alle andere in Parijs – gemoderniseerd. Het enige écht klassieke element dat behouden lijkt, ligt in een zijstraat: de halfronde art-decobioscoop MK2 Gambetta.

Precies het tegenovergestelde is Place Victor Hugo, een plein/rotonde aan de westkant van Parijs. Natuurlijk: het inkomensniveau in deze chique wijk is niet te vergelijken met het populaire Gambetta, maar Place Victor Hugo ademt met z’n kasseien, zilverberken en mooie panden een en al oude charme die in voorbeeldige staat wordt gehouden. Er lopen deftige dames met kleine hondjes, je kan er oesters eten bij Brasserie Victor Hugo en Lenny Kravitz woont er naar verluidt om de hoek – maar zelfs zonder al die franje is en blijft het een prachtig plein.

Mijn favoriet dan. Place Saint-Georges, vlak onder Pigalle en bijna naast Hôtel Amour. Het is nóg kleiner dan Place de Furstemberg. Eigenlijk is het niets meer dan een soort fraaie minirotonde op de Rue Notre Dame de Lorette, die omhoog klimt richting Montmartre. Met kasseien, een standbeeld in het midden en rondom majestueuze gebouwen achter fraaie zwart hekwerk. De 19de-eeuwse president Adolphe Thiers woonde hier: in het pand is nu een bibliotheek gevestigd, de tuin erachter is openbaar. En ja, er is een metrohalte en er is een café: het charmante café À La Place Saint Georges. Op het raam staat dîner avant et après spectacle, verwijzend naar het theater om de hoek.

Mijn advies: ga er heen als de zon onder gaat. Dan wordt het plein elke minuut mooier. De werkende mensen vertrekken, de bewoners zijn thuis, een enkeling drinkt of eet nog wat in het café. De lichtval verandert, de gebouwen en het standbeeld hebben nog heel even hun witte glans, en in het donker licht daarna alleen nog het bord métropolitain in rood en wit op. Ver weg klinkt het rumoer van Pigalle, maar hier – ’s avonds in de schemering op dit minuscule stille pleintje – is Parijs op z’n mooist.

 

 

 

 

 

Frank Renout is correspondent voor verschillende Nederlandse en buitenlandse media in Frankrijk, waaronder het ‘NOS Journaal’, het AD én hij is onze columnist!

 

Bonjour!

We zijn momenteel druk bezig met de nieuwe website van Leven in Frankrijk.

Over enkele dagen zullen we de nieuwe website lanceren, onze excuses voor het eventuele ongemak.