Dertien was ik (vroege leerling), toen we met de tweede klas naar Parijs gingen. Het reisje werd maanden van tevoren aangekondigd en we waren er al die tijd mee bezig. Aardrijkskunde en geschiedenis moesten wachten, wij studeerden op hoe we het beste drank konden meesmokkelen – en mocht dat eigenlijk wel de grens over? Het Schengenakkoord was nog niet ingegaan en
sowieso hadden we geen idee, ook niet van waar we zo zenuwachtig over waren. Hoe, waar en wanneer zouden we de leraren afschudden en was dat eigenlijk niet te gevaarlijk in zo’n gigan-tische stad? De stad die wereldberoemd was om de liefde, dát wisten we wel. En dat was voor onze rondrazende puberhormonen reden genoeg om opgewonden te raken. Hoe zou het zijn, zoenen in de stad van de liefde? Hoe zou zoenen überhaupt zijn? En dan? Jongens en meisjes kregen gescheiden slaapzalen. Zonder te weten hoe die eruit zouden zien, smeden we volop plannen om daaruit te ontsnappen. Een spannend idee, eigenlijk té spannend, want stiekem moest ik er niet aan dénken, het hele concept zoenen was al eng genoeg.
In de bus zat het object van mijn puberliefde achter me, ik voelde het dwars door de velours-bekleding heen. We werden uitgeladen bij de Sacré-Cœur, door het Louvre geloodst en onder de Eiffeltoren door gejaagd. Zelfs de clochards met hun morsige slaapzakken gaven acte de présence onder de brug waarover verliefde stelletjes paradeerden. Ze dachten er zelf vast anders over, maar wij vonden ‘clochard’ reuze romantisch klinken en stuurden blikken over en weer. Alles was nog groter en echter dan in de boekjes. Leuk en aardig al die cultuur, maar waar bleef de liefde?
We aten in een vergetenswaardig etablissement en werden naar onze respectievelijke slaapzalen gebonjourd. Dat was buiten ons recalcitrante pubergedrag gerekend. Onze ontsnapping aan het toeziend oog was succesvol. Met dank aan de meegesmokkelde drank verdwenen verdere details in een vage mist, er rest alleen nog een flard van een vreselijke verdwaling in Parijse straatjes. De liefde werd niet gevonden – dát had ik nog wel geweten.
Later kwam de liefde wel, en ging mee naar Parijs. Waar de Eiffeltoren natuurlijk nog keurig op zijn plek stond en astronomisch dure drankjes door onbeschofte kelners op terrastafels werden neergezet. We dronken er niet minder om, verloren ons in urenlange wandelingen door de stad. Dit keer op hoge hakken – ik dan, mijn liefde niet. ’s Avonds in het hotel deed het vuilnisbakje dienst als ijsemmer om mijn gepijnigde voeten in te koelen.
Daarna kwam ik er heel lang niet, dat had niks te maken met de blaren, mijn pad liep gewoon anders. Maar het wordt tijd om weer te gaan. Ik hoor het steeds weer, al stroomt de Seine nog altijd onder de Pont Neuf, de stad is veranderd. De Parijzenaar is een ander mens geworden, een mens dat zijn best doet Engels te spreken, de tijd neemt om de weg te wijzen. Zelfs de blaffende kelners schijnen te zijn uitgestorven.
Parijs maakt zijn clichés niet meer waar, en gelukkig maar. Maar nog steeds stappen er zenuwachtige schoolkinderen uit bussen, dromend van zoenen langs de Seine. Sommige dingen veranderen nooit.
Zie ook https://marimaris.substack.com/
Archief Mari




