Loeiende sirenes, in de stad kijk je er niet van op, in een dorp wel. Met geheven hoofd en gespitste oren luister je tot het geluid weer wegsterft, of heel soms, angstaanjagend dichtbij komt. Ruim binnen gehoorsafstand zette de brandweerwagen de sirene uit. Even later volgden nog twee wagens. Brandweer zegt niet alles, het is hier de eerstehulpdienst die je belt, en die ook de ambulance regelt, maar dit riekt toch naar brand. Ik meende de rook zelfs te zien. Maar in een land vol hooi vliegt er weleens vaker iets in de fik. Ik ben zo weinig sensatiebelust dat ik het volkomen vergat tot iemand me weken later vroeg welk huis er was afgebrand. Huis? Afgebrand? Om de hoek? O ja, de sirenes!
Het bleek het huis van een notoire familie. Ik ken ze niet beter dan van een groet in het voorbijwandelen, zij staan dan vaak te roken bij hun voordeur. Daarnaast is een grote wand-asbak vastgeschroefd die je ook bij cafés ziet. Voor de deur slingert speelgoed en staan kapotte auto’s waar steeds meer onderdelen vanaf vallen. Op een dag hing er een bord dat ze auto’s verkochten en oud ijzer, dat leek mij in dit geval hetzelfde. Kortom, niet per se mensen waarvan je verwacht dat ze hun gammele dak beleggen met zonnepanelen. Toch kregen die panelen nu de schuld. Het ging als een lopend vuurtje door de buurt, de zonnepanelen zouden ontbrand zijn. Ik vroeg me af of ik ze er überhaupt ooit had gezien, boven die doffe ellende zou zoiets glanzends me toch zeker zijn opgevallen? Máár, zo gingen de dorpelingen verder, de brand had misschien ook een andere oorzaak. Genetische pech hangt de familie aan de broek. Hun ouderlijk huis, dat ongeveer in dezelfde staat verkeerde, was ook al eens uitgebrand, net als het pand van hun oom aan de overkant. Voor de verzekering was blijkbaar beter gezorgd dan voor de wankele woningen, van het uitgekeerde bedrag werden twee hagelnieuwe huizen opgetrokken.
“Ik zeg niks,” zei Tante Françoise, “maar het is óf heel tragisch óf heel toevallig dat het lot nu ook de jongste generatie trof. Hun grootvader woonde aan het plein bij de kerk, een rare man, maar we konden prima met hem opschieten. Op een nacht hoorden we onraad. Maurice rende in zijn blote kont de deur uit om te helpen. Ik gooide een overgooier over mijn lijf en holde erachteraan, op mijn blote voeten door de dorpsstraat. Daar sloeg de schrik me om het hart, de rook kwam uit het dak!” Ze ziet er nóg aangedaan uit, nu ze het decennia later vertelt. “Maar wat denk je, die kerel stond op ruime afstand te kijken, keurig aangekleed met jas en al, volgens mij had hij zelfs zijn hoed op. Zijn auto stond verderop geparkeerd met zijn hondje veilig op de passagiersstoel. Alsof hij helemaal niet overvallen was door de brand, maar er keurig op voorbereid. Gek toch?” Een beetje wel, maar toeval bestaat. Nu is het voor de rokers maar te hopen dat er bij de verzekering geen belletje gaat rinkelen nu er weer een familiehuis in rook is opgegaan.
Zie ook https://marimaris.substack.com/
Archief Mari




