In het Frans klinkt alles beter. Zeggen ze. Het zou zomaar kunnen kloppen, maar ik ben de taal zo gewend dat ik het niet meer hoor. Ik weet wel dat het Nederlandse Achtereind, Dorregeest, De Hulk en Muizenhol het niet halen bij Franse plaatsnamen. Zo zou ik geen romantischer plaats weten dan Beaujolais-dorp Saint-Amour en zal het me altijd blijven verbazen dat je [ín] Chablis kunt slapen, een bad kunt nemen in Sancerre, of er gewoon een kopje koffie kunt drinken, want het heeft ook een dorpscafé. Maar het kan nog poëtischer – of tot de verbeelding sprekender.
Wat dacht u van Le Coq Banni (De Verbannen Haan)? Waar komt zo’n dorpsnaam vandaan? Ik heb er een mislukt buurtonderzoek naar gedaan en kan de kwestie toch niet laten gaan. Wie was die haan? Wat had hij misdaan? Een heterdaadje met de buurvrouw? Een buurman dan? Wie weet, alles kan. Of ging het nou eens niet om de liefde en wilde hij er vandoor met het vee van een ander? Vestigde hij zich na zijn verbanning in het gehucht dat herdoopt werd in La Misère? (Le Malaise bestond al, dus dat kon niet meer.) En zonder een anti-alcoholstrijder te zijn vraag ik me toch af of het toeval is dat die twee gehuchten zo dicht bij La Bouteille (De Fles) liggen.
Maar naast de kommer en kwel bestaan er ook positievere plekken, zoals Monplaisir (Mijn Plezier) – wie zou er niet willen wonen? En in het onwaarschijnlijk geval dat tóch niet aanspreekt, is er altijd nog Le Chêne Bourdon (De Hommel-Eik, óf het laagste register van een orgel). Of ietsje verderop L’Ange Gardien (De Beschermengel).
Ik bedoel maar, poëzie ligt op straat, of op de Rue Heureuse (de Gelukkige Straat). Dat dorpje met een ietwat mottige uitstraling bekijk ik door zo’n naam toch anders; het moet gelukkiger tijden hebben gekend. Ik hoop zo dat de verbannen haan er in de greppel zijn diepe dronken slaap sliep en daaruit werd wakker gekust door La Grande Jeanne (De Grote Jeanne), de stevige dochter van Le Bourrelier (De Zadelmaker). Toen zij genoeg had van de geur van gelooid leer en de veeleisende klanten van haar vader, verliet de 24-jarige ‘ouwe vrijster’ haar ouderlijk huis en trok in een eenvoudig hutje. Ze spitte de tuin om en verbouwde daar groenten, hield er kippen en een geit en had van niemand iets nodig. Algauw werd het gehucht genoemd naar de zonderlinge L’Ermite (De Heremiet). Als ze na urenlange strooptochten door de velden met een bemodderde rok en zakken vol oogst in het dorpje terugkeerde, knikte ze de mensen zwijgend gedag. Dat was voor haar genoeg menselijk contact. Tot ze op een dag die verbannen voddenbaal in de berm zijn roes zag uitslapen, op slag verliefd werd en zich naast hem vlijde in het gras. Toen hij eindelijk zijn ogen opendeed werd ook hij getroffen door de liefde. Hand in hand verdwenen ze naar haar huisje en leefden nog lang en heureuse.
Stel ik me dan zo voor, hè. In het Frans klinkt het beter.
Zie ook https://marimaris.substack.com/
Archief Mari




