Er hangt iets in de lucht, net boven de ijzige nevel. Het is niet helemaal te plaatsen, maar ruikt lekker, een beetje nieuw. De eerste lammetjes staan er wat huiverig bij. Verblind door het felle voorjaarslicht, onwennig in een wereld vol weide, of met hun dunne jas gewoon niet gekleed op zulke koude ochtenden? Ze zouden eigenlijk vestjes moeten hebben in vrolijke patronen. Er kriebelt iets aan m’n hoofd, voor ik eraan kan krabben vliegt er een bij verdwaasd op. Als ik hem nakijk zie ik de boer aan de andere kant van het weggetje pas. “Mooi!”, grijnst hij.
“Ze zijn prachtig, alleen een beetje koud misschien?”
“Oh, maar dame, ik kan de boel zo opwarmen hoor.”
Zal hij nou ook hebben staan bedenken dat ze wel een vestje willen?! Ik kijk hem vragend aan: hoe dan?
“Nou dame, als u even mee naar binnen komt,” hij knikt naar de boerderij achter hem, “dan zal deze kerel eens laten zien hoe hij een dame opwarmt.”
Oooh, zijn we dáár! Hier is geen sprake van lentekriebels, we hebben het hier over permanente jeuk. Ik heb helemaal geen trek in dit spelletje en hou me van de Parisiennes.
“De beestjes meneer, hebben die arme schaapjes het niet koud in hun dunne wolletjes? Met de dame gaat het prima, vriendelijk aangeboden, maar aan warmte geen gebrek.” Intussen wandel ik vast bij hem vandaan. “Ik laat u verder aan uw werk, goeiedag nog!”
“Jammer dan,” zegt hij en heft zijn hand, “u weet me te vinden.”
Hij is niet kwaad of beledigd. Ik ook niet. Ook niet gevleid trouwens (zou u ook niet zijn, als u de boer gezien had). Hij probeert het gewoon, een kans is een kans en dat is een zeldzaam iets; áls er een voorbij komt, is het dus zaak die te grijpen – of dat althans te proberen – of ik het nou ben, een kreupele tante of m’n ouwe grootje. Er kwam eens, eerlijk waar, een vrachtwagen met piepende banden midden op ons landweggetje tot stilstand, de chauffeur klauterde uit de cabine om haar te vragen of ze trek had in een lekker potje inparkeren. Grootje was toen 81. Ik bedoel maar, een kans is een kans.
Volgens mijn hoogstpersoonlijke theorie wordt deze ‘aanpakkerigheid’ veroorzaakt door dunbevolktheid. Op straat zie je geen kip – vooruit, een kip juist wel, maar dan heb je het ook gehad, qua levende wezens. Cafés, disco’s of ander uitgaan is beperkt tot eens per jaar een dorpsfeest (waar inderdaad [alle] stellen die ik ken elkaar ontmoetten). Dus als je überhaupt eens een loslopend personage tegenkomt moet je snel zijn.
Ik zit er bepaald niet op te wachten, maar zolang het bij een vraag blijft, of een vriendelijk voorstel, afhankelijk van je perceptie, ach, dat mag. Stukken beter dan de botte boer, of bankbediende, die een dame als handelswaar taxeert, terwijl zij met jeukende handen en kromme tenen geacht wordt schaapachtig te lachen om zijn schunnige opmerkingen. Oh la la, wat heerlijk dat zulk geleuter langzaamaan verwaait, [merci, #moiaussi], voor de frisse wind. Daarover gesproken: ik ga vestjes breien voor de lammetjes, dat lijkt me toch het beste. Nou maar hopen dat de wol niet kriebelt.
Onderweg naar huis weet ik ineens wat ik rook: er hangt lente in de lucht!
Archief Mari