Au revoir le zinc

Stefan de Vries woont en werkt in Parijs als correspondent voor RTL Nieuws, Euronews en BBC Radio.

Ça va, gros?”, vraagt de sympathieke eigenaar van de bar. “C’est toi le gros!”, is steevast mijn antwoord. Al meer dan tien jaar begroeten Sébastien en ik elkaar op dezelfde manier. In die tijd zijn we inderdaad allebei wat dikker geworden. De laatste keer dat we elkaar konden complimenteren met onze uiterlijkheden ligt helaas al vele maanden achter ons. Sinds het begin van de maatregelen tegen corona is de Franse horeca gesloten. Dat is natuurlijk ook in Nederland het geval, maar ik betwijfel of restaurants en cafés er zo’n cruciale rol spelen als in Parijs. Zonder horeca zou de Franse hoofdstad er anders uit hebben gezien. In de typische barretjes, bistrots en petits restos werden talloze revoluties, romans en romances geboren. Aan wankele, veel te kleine tafeltjes zijn complotten gesmeed, overwinningen gevierd en nederlagen weggedronken. Iedere ochtend beginnen Parijzenaars hun dag aan een van de duizenden zincs, de karakteristieke zinken bar. In nog geen drie minuten werken ze er staande een bittere espresso weg. Het is misschien wel mijn favoriete ritueel van het leven hier.

Dagelijks ontbijt ik bij L’Entracte, een typisch Parijse buurtbrasserie met rood-zwarte luifels waarop staat ‘service continu’. Zodra Sébastien me stipt om 8.45 uur op straat ziet, maakt hij op de automatische piloot een petit crème en een tartine, een stukje stokbrood, voor me. Hij groet me en zet het summiere ontbijt vervolgens in een vloeiende beweging neer op de zinc. Iedere dag op precies dezelfde plek natuurlijk, onder toeziend oog van de andere dagelijkse kostgangers. De eerste die ik bij binnenkomst zie is steevast Jean-Baptiste, de wat neurotische oorlogsverslaggever die ook op de vroege ochtend graag klaagt over de Franse politiek. Iets na mij komt de gedrongen Daniel binnen, met altijd een brede glimlach. Ook al is hij de zeventig gepasseerd, hij is nog steeds actief als fysiotherapeut. En dan is er Christine, de gerimpelde ‘pensionada’ aan het einde van de zinc. Nadat ze zwijgzaam de krant gelezen heeft, geeft ze die altijd aan mij door. Iedere dag opnieuw.

Deze banale scènes lijken alweer zo lang geleden. Met Sébastien houd ik nu contact via WhatsApp. Nadat hij er tien jaar zelf ober was geweest, nam hij het etablissement twee jaar geleden over. Een groot risico natuurlijk. Hij blies de wat verstofte tent weer nieuw leven in en het publiek stroomde toe. De aanloop werd wat minder nadat iedere paar weken de gilets jaunes lawaaiig over de Avenue trokken. Eén keer vloog er zelfs een traangasgranaat door het venster van de entrée. Hij telde de vele zaterdagen waarop hij moest sluiten niet eens meer. De rustige maanden tijdens de massale stakingen eind vorig jaar onderging hij eveneens gelaten. Het glas van de voordeur is nog steeds niet vervangen. De grote plank die er op getimmerd is, is een stille getuige van de rommelige tijd die Parijs achter de rug heeft. Een groot contrast met de doodstille maanden sinds corona. Maanden waarin ik er aardig wat nieuwe kilo’s bijkreeg. Ik vrees nu al Sébastiens toorn bij het weerzien. “Ça va, gros ?” zal hij weer vragen. “Oui, oui,”, zeg ik dan, terwijl ik, dik maar tevreden, de volbeboterde tartine verlekkerd aankijk.